Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 153.647 - 30-09-2015

Samenvatting

Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker naast een schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, ook nog een schending van het motiveringsbeginsel aanvoert of minstens de schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet juncto het motiveringsbeginsel aanvoert.
 
Zoals verzoeker terecht aanstipt, dient verweerder in toepassing van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, wanneer hij een beslissing tot verwijdering neemt, rekening te houden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land. Artikel 74/13 van de vreemdelingenwet legt het bestuur als dusdanig geen uitdrukkelijke motiveringsplicht op. Evenwel is verweerder gehouden tot een uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dit overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en overeenkomstig artikel 62 van de vreemdelingenwet. Daarnaast bestaat er inderdaad ook nog een motiveringsbeginsel.
 
De uitdrukkelijke motiveringsplicht, zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de vreemdelingenwet, heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. Uit de bestreden beslissing blijken dat de elementen die door verweerder in rekening moeten worden genomen in de besluitvorming werden betrokken en uit de motivering van de beslissing moet kunnen worden afgeleid waarom deze elementen in het algemeen niet werden aanvaard.
 
In casu kan niet worden betwist door verweerder dat hij op de hoogte was van de gezinssituatie van verzoeker, met name zijn huwelijk met een inmiddels Belgische vrouw en van het bestaan van een gemeenschappelijk kind dat in België geboren werd. Verzoeker verwijst ook naar zijn gezondheidstoestand. Wat dit laatste betreft, zal verweerder moeten nagaan of verzoeker op enig ogenblik aan verweerder te kennen heeft gegeven dat er problemen zijn met zijn gezondheidstoestand.
 
Wat er ook van zij, zal verweerder in de beslissing tot verwijdering naast de vaststelling dat het legaal verblijf van verzoeker is verstreken, ook de gezondheidstoestand, het hoger belang van het kind en het gezinsleven van verzoeker in rekening dienen te nemen en dienaangaande dienen te motiveren.
 
In de nota met opmerkingen stelt verweerder dat verzoeker nalaat uiteen te zetten op welke wijze deze elementen een invloed zouden kunnen hebben op de bestreden beslissing. Hierbij dient opgemerkt te worden dat indien verweerder van oordeel is dat deze elementen geen invloed hebben op de bestreden beslissing dan dient hij zulks vast te stellen in de bestreden beslissing. Het is niet omdat verweerder van oordeel is dat de elementen waarmee hij wettelijk verplicht is rekening te houden, niet relevant zijn in casu, dat hij hierdoor ontslagen wordt van zijn verplichting tot het motiveren van de beslissing die hij neemt.
 
Uit de beslissing tot verwijdering zoals die thans voorligt, kan op geen enkele wijze afgeleid worden dat verweerder rekening heeft gehouden met de elementen waartoe hij overeenkomstig artikel 74/13 van de vreemdelingenwet verplicht is rekening te houden.
Een schending van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet juncto het motiveringsbeginsel kan worden aangenomen.