Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 154.156 - 8-10-2015

Samenvatting

De verzoeker geeft aan dat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingediend binnen de termijn van tien dagen voorzien in artikel 39/82 van de vreemdelingenwet.
 
Met een mailbericht van 7 oktober 2015 om 13u36 maakt de verweerder aan de griffie van de Raad de volgende mededeling over:
 
“Mevrouw de hoofdgriffier,
 
Hierbij wens ik u te informeren dat aan verzoekende partij op datum van 19.12.2013 reeds een bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend. De bestreden beslissing (bijlage 26quater, betekend op 29.09.2015) betreft dus een tweede (of meer) verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel.
 
In toepassing van de artikelen 39/82, § 4, tweede lid juncto artikel 39/57, § 1, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen beschikt de verzoekende partij in een dergelijk geval over een termijn van 5 dagen om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen. De vervaldag is in de termijn inbegrepen. Is die vervaldag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag (art. 39/57, § 2, 2e lid).
 
Ik stel vast dat het beroep niet binnen die termijn werd ingediend: de bestreden beslissing werd namelijk betekend op 29.09.2015, doch de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd, volgens de door u verschafte inlichtingen, ingediend op 07.10.2015.
 
Vandaar zal verzoekende partij, op grond van artikel 39/83 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dat luidt als volgt:
“Behoudens toestemming van de betrokkene, zal ten aanzien van een vreemdeling die het voorwerp uitmaakt van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel, slechts tot gedwongen tenuitvoerlegging van deze maatregel worden overgegaan na het verstrijken van de in artikel 39/57,§1, derde lid, bedoelde beroepstermijn of, wanneer de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingeleid binnen deze termijn, nadat de Raad deze vordering heeft verworpen.”
op 07.10.2015 om 14u30 worden verwijderd naar Madrid.”
 
Per mailbericht van 7 oktober 2015 om 14u04 wordt een “verslag vertrek” overgemaakt waaruit blijkt dat de verzoeker met de vlucht SN3727 is vertrokken naar Madrid, Spanje.
 
Het standpunt van de verweerder dat de onderhavige vordering niet tijdig is ingesteld, kan echter om de volgende redenen niet worden bijgetreden.
 
Artikel 39/82, § 4, tweede lid van de vreemdelingenwet luidt als volgt:
“Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging imminent is, in het bijzonder indien hij is vastgehouden in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 en 74/9 of ter beschikking is gesteld van de regering, en hij nog geen gewone vordering tot schorsing heeft ingeleid tegen de bedoelde verwijderings- of terugdrijvings-maatregel, kan hij binnen de in artikel 39/57, § 1, derde lid, bedoelde termijn de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze maatregel vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.”
Artikel 39/57, § 1, derde lid van de vreemdelingenwet bepaalt het volgende:
“De in artikel 39/82, § 4, tweede lid, bedoelde vordering wordt ingediend bij verzoekschrift binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing waartegen ze gericht is. Vanaf een tweede verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel wordt de termijn teruggebracht tot vijf dagen.”
 
Onderhavige vordering is een in artikel 39/82, § 4, tweede lid van de vreemdelingenwet bedoelde vordering. De bestreden akte omvat immers een verwijderingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging, gelet op de vasthouding in het repatriëringscentrum 127bis te Steenokkerzeel, vanaf de kennisgeving ervan imminent is.
 
Het betreft bovendien een eerste verwijderingsmaatregel. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt immers dat het door de verweerder vernoemde bevel om het grondgebied te verlaten van 19 december 2013 door de verzoeker werd uitgevoerd op 21 december 2013. De Raad verwijst hiertoe naar het afschrift van verzoekers nationaal paspoort, afgeleverd op 17 mei 2010 en geldig tot 21 februari 2014, waarop een uitreisstempel d.d. 21 december 2013 van de luchthaven te Gosselies (België) alsook een inreisstempel d.d. 21 december 2013 van de internationale luchthaven Ibn Batouta te Tanger (Marokko) is aangebracht. Tevens wordt in het overnameverzoek d.d. 11 augustus 2015 aan de Spaanse autoriteiten uitdrukkelijk gemeld dat de verzoeker op 21 december 2013 terug keerde naar Marokko omdat zijn dochter ziek was (“on 21/12/2013 he returned to Morocco because his daughter was ill”) en legde de verzoeker in zijn Dublingehoor van 8 juli 2015 naar aanleiding van een aantal bijkomende vragen omtrent zijn verblijfplaats na 19 december 2013 hieromtrent nadere verklaringen af.
 
Zodoende blijkt dat de verzoeker het grondgebied van de Schengenstaten heeft verlaten binnen de hem op 19 december 2013 daartoe toegekende termijn van dertig dagen. Het bevel om het grondgebied te verlaten van 19 december 2013 heeft dan ook zijn volledige uitvoering gehad en is dus niet meer in het rechtsverkeer aanwezig. De verzoeker is vervolgens op 15 juni 2015 het Schengengrondgebied terug binnen gekomen via de Belgische grensovergang. In deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat de thans bestreden akte een tweede verwijderingsmaatregel uitmaakt.
 
Waar de verzoeker op 15 juni 2015 België terug binnen kwam vanuit Marokko en hem op 29 september 2015 de thans bestreden verwijderingsmaatregel werd betekend, gaat het derhalve om een eerste verwijderingsmaatregel zodat in casu overeenkomstig artikel 39/82, §4, tweede lid juncto artikel 39/57, §1, derde lid van de vreemdelingenwet een beroepstermijn van tien dagen van toepassing is. De bestreden beslissing werd aan de verzoeker ter kennis gebracht op 29 september 2015. De vordering is ingesteld op 7 oktober 2015 en is tijdig.
 
De verzoeker betoogt aldus dat hij blijk heeft gegeven van de nodige diligentie en dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, voorzien op 7 oktober 2015, dermate imminent is dat een gewone vordering tot schorsing te laat zal komen om het nadeel te weren. De verzoeker wijst er tevens op dat de gevolgen van de tenuitvoerlegging, de vasthouding en de daadwerkelijk verwijdering van het grondgebied, irreversibel zijn.
 
Evenwel blijkt uit de thans voorliggende gegevens dat de bestreden beslissing werd ten uitvoer gelegd drie uur voor de terechtzitting (de terechtzitting werd vastgesteld vijf uur en een half na het instellen van de vordering).
 
Nu de verzoeker inmiddels reeds werd overgebracht naar Spanje, is het niet langer nuttig om de vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te doen.
 
De toepassing van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan immers enkel worden aanvaard indien de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen (RvS 2 juni 2014, nr. 227.606).
 
Uit het voorliggende verzoekschrift blijkt dat de verzoeker met de ingestelde vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid beoogt een nakende Dublinoverdracht naar Spanje te voorkomen. Ter terechtzitting bevestigt de advocaat van de verzoeker dat deze laatste inmiddels is vertrokken naar Spanje. Deze feitelijke omstandigheden in acht genomen, kan een eventuele schorsing van de
bestreden beslissing de verzoeker op dit punt geen voordeel meer bieden, namelijk hem behoeden voor een “nakende” repatriëring. De mogelijke dringende noodzakelijkheid in dat verband is dan ook niet langer aanwezig (cf. RvS 2 juni 2014, nr. 227.606).
 
Nu de bestreden rechtshandeling inmiddels door de verweerder ten uitvoer is gelegd, is de onderhavige vorderring overigens doelloos geworden. De Raad kan de reeds uitgevoerde bestreden beslissing immers niet langer in haar tenuitvoerlegging schorsen.
 
De door de advocaat van de verzoeker ter terechtzitting geuite kritiek dat de verzoeker in strijd met artikel 13 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden werd verwijderd alvorens de terechtzitting kon plaats grijpen, doet hieraan geen afbreuk. Zelfs indien de Raad de grieven van de verzoeker bij hoogdringendheid zou onderzoeken, kan dit immers niet wegnemen dat de verwijderingsmaatregel inmiddels is uitgevoerd. De Raad is in casu door het voortvarende handelen van de verweerder, in weerwil van het bepaalde in artikel 39/83 van de vreemdelingenwet, in de onmogelijkheid gesteld om op een nuttig tijdstip tussen te komen en het gevraagde rechtsherstel te bieden.
 
Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat de voorwaarde van het uiterst dringend karakter voorzien in artikel 43, § 1, van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, niet is vervuld.

Meer info