Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 155.529 - 28-10-2015

Samenvatting

De Raad stelt vast dat uit het administratief dossier blijkt dat op 1 september 2014 door de Dienst Vreemdelingenzaken aan de burgemeester van Antwerpen de instructie werd gegeven aan de verzoekende partij twee brieven te betekenen, één met betrekking tot het socio-economisch onderzoek in het kader van artikel 42quater, § 1, derde lid van de vreemdelingenwet, en één met betrekking tot de uitzonderingssituaties voorzien in artikel 42quater, § 4 van de vreemdelingenwet. In het administratief dossier bevindt zich tevens een e-mail van 2 september 2014 van Vreemdelingenzaken Antwerpen aan de Dienst Vreemdelingenzaken waarin het volgende gesteld wordt: “(…) Op jullie vraag socio economisch onderzoek. Betrokkene heeft nog zijn familie wonen in het land van herkomst. Graag zo spoedig mogelijk uw instructies/advies. (…)”, en een synthesedocument telefoongesprek van 30 september 2014 waarin het vreemdelingenloket van Antwerpen aan de Dienst Vreemdelingenzaken meedeelt dat de verzoekende partij op 2 september 2014 in kennis was gesteld om de stukken socio-economisch onderzoek aan te brengen. Op beide voormelde brieven zelf – waarop nochtans uitdrukkelijk een plaats “Voor kennisname” is voorzien – zijn zowel de voorziene plaats voor de datum van kennisname als die voor de handtekening van de vreemdeling ter kennisname blanco gelaten. Daargelaten de vraag of de gemeenteambtenaar, zoals de verzoekende partij beweert, daadwerkelijk selectief is geweest in de informatie die hij heeft gegeven en de documenten die hij heeft aangenomen (de Raad merkt hierbij op dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij zich met andere documenten dan de documenten die door de stad Antwerpen aan de Dienst Vreemdelingenzaken werden overgemaakt, heeft aangeboden), dient zodoende hoe dan ook te worden vastgesteld dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de verzoekende partij daadwerkelijk kennis heeft genomen van de eigenlijke brief waarin artikel 42quater, § 1, derde lid van de vreemdelingenwet woordelijk wordt geciteerd en waarin benadrukt wordt dat het haar vrijstaat om alle documenten die nuttig kunnen zijn voor haar dossier over te maken aan het gemeentebestuur van haar woonplaats, dit ten laatste 30 dagen na de betekening van dit schrijven. Uit het administratief dossier blijkt aldus niet dat aan de verzoekende partij gevraagd werd bewijzen voor te leggen voor de verschillende elementen waarnaar voormeld artikel 42quater, § 1, derde lid verwijst, zodat zij gevolgd kan worden waar zij stelt dat de motivering dat zij er voor kiest geen andere (dan de opgesomde) bewijzen voor te leggen, niet ondersteund wordt door de voorliggende stukken in het dossier.
 
De Raad stelt vast dat de gemachtigde in de beslissing die een einde stelt aan het recht op verblijf van meer dan drie maanden uitdrukkelijk erkent dat de verzoekende partij een aantal documenten heeft voorgelegd, zij somt deze immers uitdrukkelijk op. Uit het administratief dossier en uit de bestreden beslissing die een einde stelt aan het recht op verblijf van meer dan drie maanden blijkt dat deze documenten betrekking hebben op het feit dat de verzoekende partij inburgeringscursussen, Nederlandse les, beroepsopleidingen en een vorming heeft gevolgd, en op het feit dat zij van 1 januari 2014 tot 8 juni 2014 als interim heeft gewerkt en dat zij op 5 juni 2014 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur van 9 juni 2014 tot 9 juni 2015 had afgesloten.
 
In de bestreden beslissing die een einde stelt aan het recht op verblijf van meer dan drie maanden somt de gemachtigde de verschillende voorgelegde stukken op, om vervolgens te stellen dat de verzoekende partij er voor kiest geen andere bewijzen voor te leggen en er “dus” geen grondig onderzoek kan gevoerd worden naar onder andere de medische situatie, de gezinssituatie, sociale en culturele integratie en binding met het land van oorsprong, waarna verondersteld wordt “dat de situatie niet van die aard is dat enkel en alleen op basis van het feit dat betrokkene voor bepaalde tijd werkt in België, een terugkeer naar het land van herkomst schadelijk zou zijn voor betrokkene”. Samen met de verzoekende partij dient de Raad vast te stellen dat de facto geen rekening gehouden wordt met de voorgebrachte documenten, vermits er nergens concreet wordt weerlegd waarom de in casu voorgebrachte documenten niet zouden kunnen aangewend worden om de sociale en culturele integratie van de verzoekende partij te beoordelen. Zodoende kan de verzoekende partij gevolgd worden waar zij stelt dat de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf van meer dan drie maanden te stellen onvoldoende gemotiveerd is. Zodoende dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij aannemelijk maakt dat de gemachtigde, bij zijn verplichting overeenkomstig artikel 42quater, § 1 van de vreemdelingenwet om bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf rekening te houden met de economische situatie, sociale en culturele integratie van de betrokkene in het Rijk, kennelijk onredelijk heeft gehandeld door te motiveren dat op grond van de voorgelegde bewijzen geen grondig onderzoek naar onder andere de sociale en culturele integratie kan worden gevoerd en op grond hiervan vervolgens te veronderstellen “dat de situatie niet van die aard is dat enkel en alleen op basis van het feit dat betrokkene voor bepaalde tijd werkt in België, een terugkeer naar het land van herkomst schadelijk zou zijn voor betrokkene”.
 
Ten slotte kan er nog op gewezen worden dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift terecht opmerkt dat er in het administratief dossier een aantal elementen aanwezig waren in verband met de duur van haar verblijf en met het feit dat de verzoekende partij, voor zij naar België is gekomen, in Senegal heeft verbleven, maar dat de bestreden beslissing in het geheel niet blijkt dat de gemachtigde ook met deze aan hem bekende elementen rekening heeft gehouden, ondanks het feit dat voormeld artikel 42quater, § 1 uitdrukkelijk voorschrijft dat bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf rekening moet gehouden worden met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk en de mate waarin de betrokkene bindingen heeft met zijn land van oorsprong.