Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 157.766 - 4-12-2015

Samenvatting

De Raad stelt vast dat verzoeker bij onderhavig verzoekschrift onder meer een uitspraak van de Rechtbank van Eerste Aanleg, Afdeling Immigratie en Asiel in het Verenigd Koninkrijk van 13 december 2011 voegt.
 
Uit dit arrest blijkt dat de rechtbank van oordeel was dat er in hoofde van verzoekers broer een reëel risico loopt bij zijn terugkeer naar Albanië omwille van bloedwraak. Uit het arrest blijkt op het eerste gezicht dat het over dezelfde bloedwraak gaat zoals door verzoeker werd omschreven.
 
Ter terechtzitting doet de verwerende partij afstand van de door haar neergelegde verweernota.
Waar de verwerende partij ter terechtzitting aanvoert dat verzoeker noch tijdens zijn eerste asielaanvraag noch tijdens zijn tweede asielaanvraag melding heeft gemaakt van bepaalde feiten die in 2011 zouden zijn voorgevallen, waarvan onder meer wel sprake is in het voorgelegde arrest, moet worden opgemerkt dat dit geen afbreuk kan doen aan de inhoud van dit arrest. Uit dit arrest blijkt dat de rechtbank van oordeel was dat er in hoofde van verzoekers broer een reëel risico is bij zijn terugkeer naar Albanië omwille van bloedwraak. Uit het arrest blijkt op het eerste gezicht dat het over initieel dezelfde bloedwraak gaat zoals door verzoeker werd omschreven.
 
Waar de verwerende partij er vervolgens op wijst dat er in paragraaf 30 van het arrest getwijfeld wordt aan de beweerde familiebanden, stelt de Raad vast dat er duidelijk uit het arrest blijkt dat er in hoofde van de rechtbank zelf geen twijfel bestaat over de familiebanden. In het arrest wordt derhalve uitdrukkelijk vermeld dat verzoekers broer de kleinzoon is van L.K. en aldus een reëel risico loopt bij een terugkeer naar Albanië ten gevolge van de bloedwraak (paragraaf 62). De aangehaalde paragraaf 30 heeft betrekking op het standpunt van de verwerende partij in het Verenigd Koninkrijk (“The Secretary of State for the Home Department”).
 
Gelet op bovenstaande overwegingen, is de Raad van oordeel dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat verzoekende partij in aanmerking zou komen voor de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling zoals bepaald in artikel 48/3 of voor de toekenning van de subsidiaire bescherming zoals bepaald in artikel 48/4.
 
Bijgevolg dient de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 3° van de
vreemdelingenwet te worden vernietigd en dient de zaak te worden teruggezonden naar de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.