Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 158.024 - 10-12-2015

Samenvatting

De verwerende partij geeft aan dat de bestreden beslissing een noodzakelijke en wettelijk voorziene resultante is van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 oktober 2014 en dat deze vaststelling (namelijk de weigering van de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus) volstaat om de bestreden beslissing te nemen op grond van de gebonden bevoegdheid. De Raad stelt vast dat uit voormeld artikel 52/3, § 1, eerste lid inderdaad volgt dat de gemachtigde, nadat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing heeft genomen waarbij hij de asielaanvraag niet in overweging neemt of de vluchtelingenstatus weigert te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen, onverwijld een bevel om het grondgebied dient af te geven, doch de verwerende partij verliest hierbij uit het oog dat de gemachtigde op grond van voormeld artikel 74/13 hoe dan ook verplicht is rekening te houden met “het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land”. De verwerende partij betwist ter terechtzitting immers geenszins dat de bestreden beslissing, met name een bevel om het grondgebied te verlaten – asielzoeker (bijlage 13quinquies), een ‘beslissing tot verwijdering’ overeenkomstig artikel 1, 6° van de vreemdelingenwet zou zijn, zijnde “de beslissing die de illegaliteit van het verblijf van een vreemdeling vaststelt en een terugkeerverplichting oplegt”. Tevens dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij ter terechtzitting geenszins uiteenzet op grond waarvan zij meent dat artikel 74/13 van de vreemdelingenwet, bepaling die in algemene bewoordingen verwijst naar “een beslissing tot verwijdering”, niet van toepassing zou zijn op beslissingen tot verwijdering die op grond van artikel 52/3, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet worden genomen, zoals de thans bestreden beslissing. Zij verwijst in dit verband slechts naar een beschikking van de Raad van State van 2 juli 2014 met nummer 10 614 (en naar arresten van de Raad die zich uitdrukkelijk op deze beschikking steunen). In de eerste plaats dient erop gewezen te worden dat beschikkingen en arresten in de continentale rechtstraditie geen precedentenwaarde hebben. Vervolgens dient te worden vastgesteld dat de beslissingen die ten grondslag liggen aan het arrest van de Raad dat aanleiding heeft gegeven tot voormelde beschikking van de Raad van State (met name RvV 21 mei 2014, nr. 124 302), bevelen om het grondgebied te verlaten (bijlages 13) betreffen, terwijl de in casu bestreden beslissing een bevel om het grondgebied te verlaten – asielzoeker (bijlage 13quinquies) is, en dat de verwerende partij geenszins uiteenzet dat de situatie van de personen die het voorwerp uitmaakten van voormelde bijlages 13 vergelijkbaar is met de situatie van de huidige verzoekende partij en dat sprake is van ook voor het voorliggend geval relevante cassatiemiddelen. Zodoende laat de verwerende partij hoe dan ook na aan te geven dat voormelde beschikking van 2 juli 2014 zonder meer toepasbaar zou zijn op de thans voorliggende zaak. Ten slotte kan nog worden opgemerkt dat deze beschikking van de Raad van State zich beperkt tot de loutere stelling dat, “(g)elet op het feit dat de aanvankelijk bestreden beslissingen hun grondslag vinden in een definitief geworden beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus”, de Raad “ook op wettige wijze (kon) besluiten dat de verzoekers niet over het rechtens vereiste belang beschikken en (…) zich niet (diende) uit te spreken over de aangevoerde schending van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet”, zodat de verwerende partij niet kan voorhouden dat de Raad van State uitdrukkelijk uitspraak zou hebben gedaan over de draagwijdte van artikel 74/13 van de vreemdelingenwet en de verhouding tussen artikel 52/3, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet en voormeld artikel 74/13, kwesties die in voorliggend geval precies aan de orde zijn. De Raad benadrukt hierbij nogmaals dat de oorspronkelijk bestreden beslissingen die tot de door de verwerende partij aangehaalde beschikking van de Raad van State hebben geleid, zelfs niet werden genomen op grond van voormeld artikel 52/3, § 1, eerste lid, maar louter op grond van artikel 7, eerste lid, 2° van de vreemdelingenwet.