Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 159.249 - 22-12-2015

Samenvatting

De Raad wijst op het bepaalde in de eerste zin van artikel 39/82, § 4, tweede lid van de  Vreemdelingenwet, dat luidt als volgt:
 
“Indien de vreemdeling het voorwerp is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel waarvan de tenuitvoerlegging ervan imminent is, en heeft hij nog geen vordering tot schorsing ingeleid, dan kan hij de schorsing van deze beslissing vorderen bij uiterst dringende noodzakelijkheid.”
 
Uit deze bepaling kan niet worden afgeleid dat wanneer een vreemdeling de schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing die niet als verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel kan worden beschouwd wenst te verkrijgen hij de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan aanwenden. Overeenkomstig voormelde wetsbepaling is deze voorbehouden voor gevallen waar er sprake is van een verwijderings- of terugdrijvingsmaatregel.
 
Daarenboven, zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat ook voor andere beslissingen de procedure bij hoogdringendheid kan worden aangewend dan nog dient gewezen te worden op de vereiste van het uiterst dringend karakter die een van de cumulatieve voorwaarden is om te kunnen overgaan tot de schorsing in uiterst dringende noodzakelijkheid bedoeld in artikel 39/82 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de vreemdelingenwet).
 
Wat het uiterst dringend karakter betreft, wijst de verzoekende partij er ter terechtzitting op dat de gewone schorsing te laat zal komen en niet effectief zal zijn nu de situatie van de Iraakse Yezidi in Turkije niet vallen onder het bijzonder statuut dat wel aan de Syrische vluchtelingen toekomt. Verzoekende partij licht echter niet toe waarom in haar geval, een gewone schorsing te laat zal komen en niet effectief zal zijn.