Samenvatting
Uit artikel 19 van de vreemdelingenwet en de artikelen 39 en 40 van het verblijfsbesluit blijkt geenszins dat de vreemdeling, die zijn recht op terugkeer wil uitoefenen, dient te bewijzen dat hij onafgebroken op het grondgebied verbleef in de periode waarvan vermoed wordt dat hij het grondgebied had verlaten. De Raad stelt vast dat uit artikel 19 van de vreemdelingenwet blijkt dat de vreemdeling die een geldige verblijfstitel had op het moment dat hij het land verliet, een recht op terugkeer gedurende een jaar heeft. Als zijn afwezigheid een jaar overtreft, kan hij dit recht enkel uitoefenen onder bepaalde voorwaarden. Verzoeker dient aldus enkel aan te tonen dat hij in deze periode nooit het grondgebied heeft verlaten voor een periode van meer dan een jaar.