Samenvatting
Volgens verzoeker is hij staatloze, geboren in Jeruzalem en van Palestijnse origine, en is hij woonachtig in Bulgarije sinds 1995 waar hij een asielaanvraag indiende en de subsidiaire bescherming verkreeg in 2009.
Artikel 48/5, §4 van vreemdelingenwet luidt als volgt:
“Er is geen behoefte aan internationale bescherming indien de asielzoeker reeds in een eerste land van asiel reële bescherming geniet, tenzij hij elementen naar voor brengt waaruit blijkt dat hij zich niet langer kan beroepen op de reële bescherming die hem reeds werd toegekend in het eerste land van asiel of dat hij niet opnieuw tot het grondgebied van dit land wordt toegelaten.
Een land kan worden beschouwd als eerste land van asiel wanneer de asielzoeker in dat land erkend is als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of hij anderszins reële bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.”
Voormeld artikel is van kracht sinds 1 september 2013.
De parlementaire voorbereiding inzake voormeld artikel stelt omtrent het begrip reële bescherming:
“Onder reële bescherming die een asielzoeker in een eerste land van asiel geniet kan worden begrepen dat hij er een daadwerkelijke verblijfsstatus heeft, dat hij beschikt over een reële mogelijkheid tot terugkeer naar het eerste asielland en dat hij er geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van de artikel 48/3 en 48/4 van de onderhavige wet.” (Parl. St. Kamer 2012 - 2013, Doc 53, nr. 2555/01, p.12).
In het licht van het gegeven dat Bulgarije, zoals alle andere Europese lidstaten, gebonden is door het EU-acquis en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, kan er vanuit worden gegaan dat de fundamentele rechten van verzoeker verzekerd zijn in Bulgarije, dat Bulgarije het non-refoulement beginsel naleeft, en dat zijn levensomstandigheden er niet als onmenselijk of mensonterend kunnen worden beschouwd zoals bedoeld in artikel 3 EVRM.
De Raad stelt vast dat verzoeker in onderhavig verzoekschrift wat betreft zijn relaas en de vaststellingen omtrent zijn asielmotieven, niet verder komt dan het herhalen van reeds afgelegde verklaringen, het aanvoeren van losse beweringen of post-factum verklaringen, en het tegenspreken en bekritiseren van de gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal.
(…)
In de mate verzoeker nog stelt dat hij vreest lastiggevallen te worden door de Bulgaarse overheid en burgers na een terugkeer en een reglementair kader geen afbreuk doet aan de feitelijke slechte behandeling, beperkt hij zich tot een blote bewering en weerlegt hij de motivering dienaangaande niet.
(…)
Derhalve kan Bulgarije in hoofde van verzoeker aanzien worden als een eerste land van asiel en is er overeenkomstig artikel 48/5, §4, eerste lid van de vreemdelingenwet geen behoefte aan internationale bescherming.
Verzoeker toont niet aan dat hij bij terugkeer naar zijn eerste land van asiel, met name Bulgarije, een gegronde vrees voor vervolging koestert in de zin van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet, en evenmin dat hij aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 48/4 van voormelde wet.