Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 159.730 - 12-01-2016

Samenvatting

Ten overvloede, waar verzoeker nog betoogt dat de behoefteanalyse evenmin als deugdelijk is te beschouwen gelet op het feit dat verweerder weigert om hierbij rekening te houden met zijn eigen inkomsten, merkt de Raad nog op dat het inderdaad kennelijk onredelijk voorkomt en getuigt van een onzorgvuldige feitenvinding waar verweerder de eigen inkomsten van verzoeker principieel weigert in overweging te nemen terwijl in het kader van een concrete en individuele behoefteanalyse waarbij dient te worden nagegaan of de inkomsten van de Belgische onderdaan volstaan om in de behoeften van het gezin te voorzien zonder ten laste te vallen van de openbare overheden bezwaarlijk kan worden aangenomen dat de inkomsten van het gezinslid hierop geen enkele invloed hebben. Al was het maar nu het betrokken gezinslid dat de Belg wenst te vervoegen in deze situatie geheel of minstens ten dele, gelet op zijn eigen inkomsten, in zijn eigen behoeften zal kunnen voorzien of mogelijk mee bepaalde gemeenschappelijke kosten zal kunnen dragen. In dit verband kan ook nog worden aangestipt dat het gehanteerde referentiebedrag uitgaat van het bedrag van leefloon zoals dit geldt voor een Belg met gezinslast, terwijl de mate waarin de Belgische partner in casu verzoeker ten laste dient te nemen uiteraard wordt beïnvloed door de mate waarin verzoeker reeds eigen inkomsten in België geniet. Er kan ook op worden gewezen dat indien iemand een beroep wenst te doen op steun van het OCMW deze laatste, gelet op artikel 16, § 1 van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie (BS 31 juli 2002) en de modaliteiten bepaald in artikel 34, § 1 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 houdende het algemeen reglement betreffende het recht op maatschappelijke integratie (BS 31 juli 2002), hierbij eveneens de inkomsten van de inwonende gezinsleden in aanmerking zal nemen. De algemene stelling van verweerder dat de inkomsten van het gezinslid niet in overweging moeten worden genomen en om deze reden ook niet dienen te worden betrokken bij de zogenaamde behoefteanalyse, kan aldus niet worden aangenomen. Het gegeven dat het gezinslid dat een Belg vervoegt over eigen inkomsten beschikt kan, in de situatie dat een inkomen voorligt dat lager ligt dan het gehanteerde referentiebedrag, net de nodige garanties bieden dat zij niet ten laste zullen vallen van de openbare overheden. Ook op dit punt kan aldus worden aangenomen dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is en niet getuigt van de vereiste zorgvuldigheid.