Samenvatting
In casu meent de verzoekende partij dat in de bestreden beslissing niet op een afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom in concreto, in het voorliggende individuele geval, haar integratie en duurzame lokale verankering, het volgen van vormingen, haar kennis van de talen, het onderbreken van de studies, de aanwezigheid van haar broer, het slecht onderwijs in Marokko, niet als een buitengewone omstandigheid kunnen worden beschouwd. Zij geeft aan dat de gemachtigde immers niet meer doet dan een opsomming geven en concluderen dat deze elementen niet als buitengewone omstandigheden kunnen aanvaard worden en dat er geen sprake is van een ware motivering. De verzoekende partij benadrukt dat de gemachtigde niet motiveert waarom de aangehaalde elementen niet als buitengewone omstandigheden kunnen worden beschouwd.
De Raad stelt vast dat uit het betoog van de verzoekende partij blijkt dat zij op zich niet betwist dat de bestreden beslissing een motivering bevat met betrekking tot de door haar in het kader van de buitengewone omstandigheden aangebrachte argumenten. Door in haar nota met opmerkingen te stellen dat de determinerende juridische en feitelijke motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, gaat de verwerende partij dan ook niet concreet in op het betoog van de verzoekende partij. De verzoekende partij voert daarentegen aan dat een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 voorligt, omdat de opgenomen motivering niet afdoende is. Samen met de verzoekende partij dient de Raad inderdaad vast te stellen dat de gemachtigde zich beperkt tot het opsommen van de door de verzoekende partij in het kader van de buitengewone omstandigheden aangebrachte argumenten en vervolgens tot het stellen dat “de zonet door betrokkene aangehaalde elementen” geen argumenten zijn waaruit blijkt dat het haar bijzonder moeilijk, zoniet onmogelijk is, terug te keren naar haar land van herkomst of haar land waar zij toegelaten is tot verblijf, om haar aanvraag op regelmatige wijze in te dienen bij de Belgische ambassade of consulaat bevoegd voor haar land van herkomst of verblijf en dat deze elementen dus niet als buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet kunnen worden gekwalificeerd. Waarom de gemachtigde meent dat de aangehaalde elementen geen argumenten zijn die het bijzonder moeilijk of onmogelijk maken de aanvraag in te dienen in het land van herkomst of verblijf en dat er dus geen sprake is van buitengewone omstandigheden, wordt echter in het geheel niet gemotiveerd. Zodoende kan de verzoekende partij gevolgd worden waar zij stelt dat niet op een afdoende wijze wordt gemotiveerd waarom deze elementen in concreto, in het voorliggende individuele geval niet als buitengewone omstandigheden kunnen worden beschouwd, en dat aldus geen sprake is van een ware motivering.