Samenvatting
In de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit de aard, de ernst en de recentheid in tijd van de vermelde concrete feiten blijkt dat het persoonlijk gedrag van verzoeker een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor het fundamenteel belang van de samenleving.
De gemachtigde besluit daaruit meteen dat het familiale en persoonlijk belang van verzoeker hier dan ook ondergeschikt is aan de vrijwaring van de openbare orde.
Hij verwijst daarbij enkel naar een arrest van de Raad met betrekking tot artikel 8, tweede lid van het EVRM: “De Raad voor Vreemdelingen-betwistingen stelt immers in het arrest 49.830 dd. 22.04.2010 onder andere dat uit artikel 8, tweede lid van het EVRM blijkt dat een inmenging in het privé- en gezinsleven mogelijk is wanneer er een wettelijke basis is en een maatregel nodig is om bepaalde doelstellingen, zoals de bescherming van de openbare orde, te verzekeren.”
Dat de bestreden beslissing een wettelijke basis kent en een legitiem doel nastreeft, wordt niet betwist. Dat er rekening wordt gehouden met de aard en ernst van de strafrechtelijke inbreuken, evenmin.
De gemachtigde gaat evenwel geheel voorbij aan het gegeven dat het vaststellen van bedreiging voor de openbare orde niet voldoet, maar dat tevens moet worden nagegaan of de bescherming van de openbare orde, in casu uitgedrukt door de weigering van verblijf aan verzoeker, in verhouding staat met de concrete individuele belangen van verzoeker. Er dient dus een correcte en concrete billijke afweging te worden gemaakt tussen de individuele en concrete omstandigheden van de verzoeker, enerzijds, en het algemeen belang, anderzijds (zgn. proportionaliteitstoets). Zoals hierboven reeds vermeld, heeft het EHRM criteria geformuleerd die nationale overheden dienen te leiden in het beoordelen van zulke zaken.
De verwerende partij houdt voor dat wel degelijk een belangenafweging werd gemaakt tussen de openbare orde enerzijds en het gezinsleven van verzoeker anderzijds.
Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel dat de gemachtigde zich beperkte tot een zeer algemene stelling (‘het persoonlijke en familale belang van verzoeker is hier dan ook ondergeschikt’), zonder daarbij in concreto de individuele belangen van verzoeker en zijn kinderen af te wegen. De gemachtigde steunt deze stelling op een arrest van de Raad, dat echter op zeer selectieve wijze wordt gelezen. Uit dit arrest blijkt immers dat in de betrokken zaak ook de proportionaliteit van de maatregel in concreto, d.i. rekening houdend met de individuele omstandigheden van betrokkenen in die zaak, werd onderzocht.
In deze zaak blijkt enkel een concrete afweging van het algemeen belang van de Belgische staat, doordat concreet wordt verwezen naar de aard, ernst en de recentheid van de gepleegde feiten en een beoordeling wordt gemaakt van het persoonlijk gedrag van verzoeker, dat wordt gezien als bedreiging voor de samenleving.
Daarentegen kan noch uit de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier worden afgeleid dat er voor verzoeker eveneens een concrete afweging van zijn individuele belangen en omstandigheden, zoals vereist door artikel 8 van het EVRM, heeft plaats gehad. Daarbij moet worden opgemerkt dat verzoeker in het verzoekschrift zijn concrete en individuele omstandigheden nader uiteenzet en dat het administratief dossier eveneens concrete elementen bevat over omstandigheden van verzoeker en de gezinsrelatie tussen verzoeker en zijn Belgische partner en kind.