Samenvatting
Vervolgens dient vastgesteld dat verzoeker op het CGVS e-mailverkeer tussen zijn voogd en de dienst Tracing van het Rode Kruis neerlegde (zie map ‘Documenten’ in het administratief dossier). Bij onderhavig verzoekschrift voegt verzoeker een document van de dienst Tracing van het Rode Kruis (stuk 4). Uit deze documenten blijkt dat verzoeker via de dienst Tracing trachtte om in contact te komen met zijn familie. Te dien einde verschafte verzoeker in zijn opsporingsverzoek namen van personen in zijn dorp. Uit het e-mailverkeer met zijn voogd blijkt dat een medewerker van het Rode Kruis effectief met deze personen sprak en dat zij bevestigden dat verzoeker en zijn familie in het dorp Gudara hebben gewoond, doch dat zijn familie er vertrok rond december 2014, dus kort nadat verzoeker zelf vertrokken is. Hierbij dient opgemerkt dat het Rode Kruis ter zake moet worden beschouwd als een gezaghebbende organisatie met heel wat ervaring. Verweerder kan dan ook niet gevolgd worden waar deze verwijst naar de door hem aan het administratief dossier toegevoegde informatie betreffende corruptie in de Afghaanse maatschappij (zie map ‘Landeninformatie’) teneinde de bewijswaarde van deze documenten in twijfel te trekken. Overigens kan in casu redelijkerwijze niet worden ingezien op welke wijze een minderjarige steekpenningen zou kunnen betalen aan personen in een dorp waarvan hijzelf niet eens afkomstig zou zijn. Ten overvloede dient opgemerkt dat redelijkerwijze van verweerder zou kunnen worden verwacht dat hij verzoeker in casu opnieuw zou oproepen voor een gehoor teneinde hem te confronteren met de vaststellingen zoals deze blijken uit de informatie verschaft door een gezaghebbende organisatie als het Rode Kruis.
Het feit dat uit de informatie die door het Rode Kruis werd verschaft (zie supra) blijkt dat verzoeker en zijn familie wel degelijk verbleven in het dorp Gudara in het district Chaparhar van de provincie Nangarhar is op zijn minst een sterke indicatie voor de waarheidsgetrouwheid van verzoekers verklaringen met betrekking tot zijn regio van herkomst. De kopieën van de taskara van de leerkracht en de imam waarvan sprake in de documenten van het Rode Kruis (rechtsplegingsdossier, stuk 13) zijn slechts kopieën en hebben aldus een beperkte bewijswaarde, doch voor het overige doen zij geen afbreuk aan het voorgaande.
Hieraan voegt zich nog toe dat verzoeker in zijn verzoekschrift terecht wijst op een hele reeks elementen die hij wél correct wist weer te geven en die noch door verweerder, noch door de beschikbare informatie in het rechtsplegingsdossier worden tegengesproken of betwijfeld.
(…)
Bij de beoordeling en in het bijzonder deze afgeleid uit de feitelijke kennis van het land van nationaliteit van de verzoekende partij, houdt de Raad bij de uitoefening van zijn bevoegdheid in volle rechtsmacht rekening met het aangehouden profiel van de verzoekende partij. Hij onderzoekt, naast de vraag of deze redenen feitelijk juist zijn en steun vinden in hetgeen waarop de Raad in rechte vermag acht te slaan, of deze correct zijn beoordeeld door de verwerende partij en of hij op grond daarvan en al naargelang het geval, al dan niet aangevuld met de voor de besluitvorming relevante gegevens waarop hij in het raam van de uitoefening van zijn bevoegdheid in volle rechtsmacht in rechte vermag acht te slaan, kan beslissen. Deze beoordeling van de feitelijke kennis geschiedt in concreto. In de eerste plaats wordt rekening gehouden met de kennis ter zake in hoofde van de verzoekende partij van feitelijke gegevens die behoren tot de onmiddellijke leefomgeving van de verzoekende partij. Naargelang de aard van het voorgehouden profiel, kan ook rekening worden gehouden met de feitelijke kennis van de ruimere leefomgeving, waarbij deze kennis in hoofde van de verzoekende partij daarbij uiteraard minder doorslaggevend is en er alleszins niet kan toe leiden dat de onwetendheid inzake feitelijke gegevens binnen de onmiddellijke leefomgeving die de beoordeling het meest bepalen, buiten beschouwing wordt gelaten.
In casu gelet op verzoekers profiel van niet-begeleide minderjarige, alsook de informatie zoals deze blijkt uit de documenten van het Rode Kruis, dient vastgesteld dat de hiervoor weergegeven elementen die verzoeker op correcte wijze wist aan te geven met betrekking tot zijn regio van herkomst wel degelijk in aanmerking dienen te worden genomen. Het feit dat verzoeker niet alle details kon weergeven en dat hij een aantal zaken niet wist, doet hieraan immers geen afbreuk.
(…)
Het is komen vast te staan dat verzoeker dient beschouwd te worden als niet-begeleide minderjarige vreemdeling, afkomstig van het dorp Gudara in het district Chaparhar van de provincie Nangarhar in Afghanistan. Uit de documenten van het Rode Kruis (verzoekschrift, stukken 3 en 4) blijkt bovendien dat verzoekers familie uit dit dorp vertrok kort nadat verzoeker zijn land van herkomst verliet en dat niet geweten is waar zijn familie zich momenteel bevindt. Ondervraagd ter terechtzitting overeenkomstig artikel 14 PR RvV verklaart verzoeker dat hij tijdens zijn reis naar België het contact met zijn familie heeft verloren en sindsdien ook geen contact meer met hen had. Uit de door verzoeker
bijgebrachte informatie uit het “EASO Country of Origin Information Report: Afghanistan – Security Situation” van januari 2015 (verzoekschrift, stuk 5) blijkt daarnaast dat er in de provincie Nangarhar, buiten de hoofdstad Jalalabad, sprake is van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of
binnenlands gewapend conflict. Gelet op het geheel van deze omstandigheden en verzoekers kwetsbaar profiel zou een terugkeer naar zijn regio van herkomst in casu in hoofde van verzoeker een
schending uitmaken van artikel 3 van het EVRM en van de bepalingen in artikel 48/4, § 2, b) van de vreemdelingenwet.