Samenvatting
Overeenkomstig artikel 74/11, § 1, derde lid, 1° van de vreemdelingenwet, kan het bestuur slechts tot het opleggen van een inreisverbod met een geldigheidsduur van meer dan drie jaar beslissen indien werd vastgesteld dat een onderdaan van een derde land fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt, “teneinde toegelaten te worden tot het verblijf of om zijn recht op verblijf te behouden”.
Verzoeker voert aan niet in te zien waarom in casu wordt vastgesteld dat hij fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt teneinde te worden toegelaten tot het verblijf of om zijn recht op verblijf te behouden, nu hij geen verblijfsrecht in België heeft gevraagd of gesolliciteerd.
Uit de bewoordingen van artikel 74/11, § 1, derde lid, 1° van de vreemdelingenwet volgt duidelijk dat enkel fraude of andere onwettig middelen die werden gepleegd of gebruikt in een verblijfsrechtelijke context worden beoogd.
In casu blijkt uit de motieven van de bestreden inreisverbod niet dat verzoeker enige frauduleuze handeling stelde of een onwettig middel aanwendde om tot een verblijf te worden toegelaten. In het bestreden inreisverbod wordt weliswaar vermeld dat verzoeker op heterdaad werd betrapt op aanmatiging van naam, waaruit wordt geconcludeerd dat er een risico op bestaat op een nieuwe schending van de openbare orde. Uit het bestreden inreisverbod kan echter niet worden opgemaakt dat de vastgestelde fraude, in casu de aanmatiging van naam, werd gepleegd met het oog op een toelating tot verblijf of het behoud van een recht op verblijf.
In het bestreden bevel, waarmee het bestreden inreisverbod gepaard gaat, stelde het bestuur voorts vast dat verzoeker illegaal in het Rijk verbleef zodat men bezwaarlijk kan voorhouden dat het feit dat verzoeker zich uitgaf voor een ander persoon erop was gericht “zijn recht op verblijf te behouden.”
De Raad merkt op dat het criterium van schending van de openbare orde enkel kan worden aangewend in toepassing van artikel 74/11, § 1, vierde lid en niet in toepassing van artikel 74/11, § 1, derde lid van de vreemdelingenwet, waarop het bestreden inreisverbod is gebaseerd (RvS 10 december 2015, nr. 233.200).
Voorts wordt in het bestreden inreisverbod nog gemotiveerd dat verzoeker niet over een officieel adres beschikt in België zodat er bijgevolg een risico op onderduiken bestaat. De Raad ziet evenwel niet in hoe dit motief verband houdt met fraude of onwettige middelen die werden gepleegd of gebruikt, “teneinde toegelaten te worden tot het verblijf of om zijn recht op verblijf te behouden”.
Ook uit het administratief dossier blijkt niet dat verzoeker enige frauduleuze handeling stelde of een onwettig middel aanwendde om tot een verblijf te worden toegelaten.
De lokale politie stelde vast dat verzoeker een Kameroense identiteitskaart voorlegde die hem niet toebehoort toen hij zich aanbod voor een vakantiejob. Uit het administratief verslag vreemdelingen-controle, dat verwijst naar PV n° BR.55.LP.007810/2013, blijkt derhalve dat de aanmatiging van naam enkel plaats had in een arbeidsrechtelijke context.
Uit het gegeven dat verzoeker als reden voor zijn verblijf “werken” heeft opgegeven, dat hij zich heeft voorgedaan als een andere persoon die wel over een Belgische verblijfskaart beschikt en dat hij bij deze persoon verblijft, kan weliswaar worden afgeleid dat verzoeker op het grondgebied wil blijven om te werken, doch niet dat verzoeker enige frauduleuze handeling stelde of een onwettig middel aanwendde om tot een verblijf te worden toegelaten. In artikel 74/11, § 1, derde lid, 1° van de vreemdelingenwet is niet voorzien dat een inreisverbod van meer dan drie jaar kan worden opgelegd aan een vreemdeling die, bij het aanbieden voor een vakantiejob, zijn identiteit poogt te verhullen om te voorkomen dat wordt vastgesteld dat hij niet tot een verblijf in het Rijk is toegelaten of gemachtigd.
De verwerende partij houdt nog voor dat de voormelde bepaling niet vereist dat de vreemdeling ook een verblijfsaanvraag zou hebben ingediend. Volgens de verwerende partij voldoen de voormelde feitelijke vaststellingen, zo niet wordt een voorwaarde toegevoegd aan de wet. Met dit betoog gaat de verwerende partij echter voorbij aan het feit dat dat artikel 74/11, § 1, derde lid, 1° van de vreemdelingenwet, een uitzondering voorziet op de regel dat een inreisverbod maximaal drie jaar geldt zodat deze bepaling dan ook restrictief dient te worden geïnterpreteerd. De verwerende partij kan niet meer uit artikel 74/11, § 1, derde lid, 1° van de vreemdelingenwet halen dan wat er staat.