Samenvatting
Verweerder roept in de nota met opmerkingen een exceptie van onontvankelijkheid in ratione temporis. Hij meent dat verzoeker op het ogenblik van de kennisgeving zich conform artikel 39/57 van de Vreemdelingenwet bevond in een plaats zoals bedoeld in artikel 74/8 van de Vreemdelingenwet en dus maar over een beroepstermijn van 15 dagen kon beschikken.
In de synthesememorie repliceert verzoeker dat verweerder dit verkeerdelijk aanneemt nu hij op het ogenblik van de kennisgeving in de gevangenis te Antwerpen was zoals blijkt uit de bestreden beslissing. Bijgevolg meent hij dat hij wel beschikte over dertig dagen om beroep aan te tekenen.
Uit de kennisgeving zoals aangeduid op de bestreden beslissing blijkt inderdaad dat de bestreden beslissing werd ter kennis gebracht aan verzoeker door de attaché management/ondersteuning van de gevangenisdirecteur. Een gevangenis is geen welbepaalde plaats zoals bedoeld in de artikelen 74/8 of 74/9 zoals bepaald in artikel 39/57 van de Vreemdelingenwet. Bijgevolg beschikte verzoeker over een termijn van dertig dagen die aanving op 12 juli 2013 en is verstreken op 12 augustus 2013, dit was de laatste nuttige dag om een beroep in te dienen.
Nu het beroep is ingediend op 12 augustus 2013 werd het derhalve tijdig ingediend.
De exceptie wordt verworpen.
Belang bij het beroep
Verzoeker werd gerepatrieerd op 20 juli 2013. Verweerder heeft noch in de nota met opmerkingen noch ter zitting van 5 november 2015 een exceptie van gebrek aan belang opgeworpen aangaande het thans bestreden bevel om het grondgebied te verlaten met inreisverbod en vasthouding met het oog op verwijdering.
De Raad stipt ambtshalve aan dat de Raad van State in zijn arrest nr. 216.837 van 13 december 2011 het volgende heeft gesteld: “De verzoekster heeft de schending van artikel 8 van het EVRM voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgeworpen en erop gewezen dat haar gezinsleven bij een repatriëring naar Turkije zou worden vernietigd en dat niet aan artikel 8, tweede lid, van het EVRM zou zijn voldaan. Uit die passus blijkt op voldoende wijze het belang van de verzoekster bij haar beroep tot nietigverklaring. Dat belang gaat niet teloor, enkel door de gedwongen tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van 27 augustus 2010. Er anders over oordelen zou het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel aanzienlijk uithollen.”
Bovendien steunt thans eveneens een inreisverbod van 8 jaar op de bestreden verwijderingsbeslissing. De Raad stelt dat de beslissing houdende de afgifte van het inreisverbod te scheiden is van de beslissing tot verwijdering in die zin dat zij op afzonderlijke motieven zijn gesteund en dat het bevel om het grondgebied te verlaten op grond van eigen motieven ook zonder inreisverbod kan blijven bestaan. omgekeerd is echter geen inreisverbod mogelijk zonder beslissing tot verwijdering (RvS 18 december 2013, nr. 225.871 en RvS 26 juni 2014, nrs. 227.898 en 227.900). Dit houdt in dat indien een eventuele onwettigheid of onverenigbaarheid met een hogere rechtsnorm wordt vastgesteld aangaande het bestreden bevel, ook het bestreden inreisverbod dat daar uitdrukkelijk op steunt met een onwettigheid of onverenigbaarheid is behept.
In casu stelt de Raad dan ook vast dat het belang dat verzoeker heeft bij de bestreden verwijderingsbeslissing er niet in bestaat te verhinderen dat het bevel wordt tenuitvoergelegd, hetgeen door de tenuitvoerlegging ervan is verloren gegaan, maar gezien het beroep tot nietigverklaring er enerzijds in gelegen is dat een uitgevoerd bevel om het grondgebied te verlaten een schending van artikel 8 van het EVRM kan genereren ondanks uitvoering en anderzijds dat het thans bestreden bevel een rechtsgrond vormt voor het opleggen van het thans bestreden inreisverbod. Verzoeker staat nog onder inreisverbod tot 11 juli 2021. Het belang wordt weerhouden voor het aanvechten van de verwijderingsbeslissing en het inreisverbod.