Samenvatting
Het ganse betoog van de verzoekende partij komt erop neer dat zij louter op basis van het feit dat haar partner de Nederlandse nationaliteit heeft en in België verblijft, recht heeft om gezinshereniging aan te vragen in functie van de bepalingen van de Vreemdelingenwet. Zij betoogt dat nergens wordt vereist dat de referentiepersoon zelf verblijfsrecht moet hebben verkregen op basis van diens EU-burgerschap.
De Raad wijst erop dat de verzoekende partij niet betwist dat haar partner in België verblijft als diplomatiek personeel en derhalve als Israëlische een verblijfstitel heeft verkregen op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961. Zoals de verwerende partij terecht aangeeft in de nota met opmerkingen dient dergelijke verblijfstitel onderscheiden te worden van het recht op verblijf dat een Europese burger kan laten gelden bij de uitoefening van het recht op vrij verkeer op grond van de Europese regelgeving.
In casu dient vastgesteld te worden dat de referentiepersoon thans zijn recht op vrij verkeer als Unieburger niet uitoefent, maar in België verblijft in het kader van een specifieke wetgeving, meer bepaald het voormeld Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Het verblijf van de referentiepersoon is – in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt – aldus niet gestoeld op haar status als burger van de Unie. Bijgevolg kan ook de verzoekende partij niet als een familielid van een burger van de Unie worden beschouwd, nu de referentiepersoon niet in de hoedanigheid van burger van de Unie in het Rijk verblijft, gelet op het feit dat diens verblijf bekomen werd als Israëlische op grond van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
Een eenvoudige lezing van artikel 40 van de Vreemdelingenwet leert dat de referentiepersoon enkel vermag gebruik te maken van het recht op gezinshereniging in zoverre hijzelf een verblijfsrecht heeft bekomen op grond van artikel 40, §4 van de Vreemdelingenwet, en alhier als werknemer, zelfstandige, beschikker van voldoende bestaansmiddelen, of als student is ingeschreven:
“§ 1. Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de burger van de Unie zou kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hem van toepassing.
§ 2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder burger van de Unie verstaan, een vreemdeling die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit en verblijft in of zich begeeft naar het Rijk.
§ 3. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende maximaal drie maanden in het Rijk te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten te vervullen dan vermeld in artikel 41, eerste lid.
§ 4. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven indien hij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervult en hij :
1° hetzij in het Rijk werknemer of zelfstandige is of het Rijk binnenkomt om werk te zoeken, zolang hij kan bewijzen dat hij nog werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld;
2° hetzij voor zichzelf over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het Rijk volledig dekt;
3° hetzij is ingeschreven aan een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen en indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het Rijk volledig dekt, en hij door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.
De in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde bestaansmiddelen moeten minstens gelijk zijn aan het inkomstenniveau onder hetwelk sociale bijstand kan worden verleend. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij ondermeer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.
De Koning bepaalt de gevallen waarbij de burger van de Unie geacht wordt de voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in het eerste lid, 2°, te vervullen.
Het voormelde vloeit tevens voort uit artikel 42bis van de Vreemdelingenwet nopens de beëindiging van het verblijfsrecht van meer dan drie maanden als burger van de Unie, dat expliciet verwijst naar artikel 40, § 4 van de Vreemdelingenwet:
“§ 1. Er kan een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie door de minister of zijn gemachtigde indien hij niet meer voldoet aan de in artikel 40, § 4, en de in artikel 40bis, § 4, tweede lid, bedoelde voorwaarden of, voor de in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen, indien hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandstelsel van het Rijk. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan.(..)”
De verzoekende partij lijkt er in het verzoekschrift van uit te gaan dat de loutere aanwezigheid van de referentiepersoon op het Belgische grondgebied voldoende is om het recht op gezinshereniging voor de verzoekende partij te openen, maar dergelijke stellingname klopt niet. Er moet blijken dat de referentiepersoon hier zelf verblijfsrecht van meer dan drie maanden heeft als Unieburger (cfr artikel 40 Vreemdelingenwet) alvorens de gezinsleden een recht op gezinshereniging op dat vlak kunnen doen gelden.
De Raad wijst er daarnaast op dat het Weens Verdrag inzake diplomatiek verkeer voorziet in een eigen procedure om gezinsleden te vervoegen. Zo bepaalt artikel 10:
“Aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de ontvangende Staat of een ander overeengekomen ministerie, wordt mededeling gedaan van:
a) de benoeming van leden van de zending, hun aankomst en hun definitief vertrek of de beëindiging van hun werkzaamheden bij de zending;
b) de aankomst en het definitieve vertrek van een persoon die tot het gezin van een lid van de zending behoort en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, het feit dat een persoon gezinslid wordt van een lid van de zending of ophoudt gezinslid te zijn;
c) de aankomst en het definitief vertrek van particuliere bedienden in dienst van de onder a) van dit lid bedoelde personen en, in daarvoor in aanmerking komende gevallen, het feit dat zij de dienst van deze personen verlaten;
d) het aannemen en ontslaan van ingezetenen van de ontvangende Staat als leden van de zending of als particuliere bedienden die recht hebben op voorrechten en immuniteiten.
2. Indien mogelijk dient tevens van te voren kennis te worden gegeven van aankomst en definitief vertrek.”
Verzoekende partij dient – zoals de gemachtigde in de bestreden beslissing heeft aangegeven – de geëigende procedures te volgen om in functie van haar partner verblijf te bekomen op het Belgische grondgebied.
Het betoog van de verzoekende partij, dat er in essentie op neerkomt dat de loutere aanwezigheid van een partner met een nationaliteit van de Unie op het Belgische grondgebied het recht op gezinshereniging in toepassing van de Vreemdelingenwet opent, kan gelet op de bespreking hoger niet gevolgd worden.