Samenvatting
Overeenkomstig artikel 39/56, eerste lid, van de Vreemdelingenwet kunnen de beroepen bedoeld in artikel 39/2 van dezelfde wet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gebracht worden door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of een belang.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar die welke thans bij de Raad van State wordt aangewend (Parl.St. Kamer, 2005-06, nr. 2479/001, 116-117).
Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (RvS 4 augustus 2005, nr.148.037).
Opdat zij een belang zouden hebben bij de vordering volstaat het niet dat de verzoekende partijen gegriefd zijn door de bestreden rechtshandeling en dat zij een nadeel ondervinden. De vernietiging van de bestreden beslissing moet de verzoekende partijen bovendien enig voordeel opleveren en dus een nuttig effect sorteren.
Te dezen wijst de verwerende partij er in haar nota met opmerkingen terecht op dat artikel 9ter, § 1, van de Vreemdelingenwet van toepassing is op “de in België verblijvende vreemdeling die zijn identiteit aantoont overeenkomstig § 2 en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat (…)” en dat er in casu geen enkel element voorligt dat toelaat vast te stellen dat de machtigingsaanvraag van 30 december 2013 zou zijn gebaseerd op de medische problematiek van de tweede verzoekster, de derde verzoeker en hun kinderen. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat in het kader van de aanvraag van 30 december 2013 enkel medische elementen werden ingeroepen met betrekking tot de eerste verzoekster, wat door de verzoekende partijen ook niet betwist wordt. Zodoende stelt de verwerende partij terecht dat de tweede verzoekster, de derde verzoeker en hun kinderen op zich niet vallen onder het toepassingsgebied van voormeld artikel 9ter van de Vreemdelingenwet.
Er dient evenwel te worden vastgesteld dat de bestreden beslissing niet alleen op de eerste verzoekster, doch ook uitdrukkelijk op de tweede verzoekster, de derde verzoeker en hun kinderen betrekking heeft en dat deze beslissing uitdrukkelijk ook aan hen ter kennis werd gebracht. De bestreden beslissing werd immers door de drie verzoekende partijen ondertekend. Daarenboven wordt erop gewezen dat de bestreden beslissing een beslissing betreft waarbij de machtigingsaanvraag van 30 december 2013 ongegrond werd verklaard, nadat deze aanvraag reeds op 29 januari 2014 ontvankelijk werd verklaard. Op voormelde ontvankelijkheidsbeslissing worden eveneens de drie verzoekende partijen vermeld en wordt aan de burgemeester van Borsbeek de instructie gegeven “voornoemde betrokkenen in te schrijven in het Vreemdelingenregister en hen in het bezit te stellen van een attest van immatriculatie”. In het geval van een vernietiging van de bestreden beslissing komen de verzoekende partijen opnieuw terecht in de situatie die op 29 januari 2014, door het nemen van de ontvankelijkheidsbeslissing, is ontstaan.
In deze specifieke omstandigheden kan de verwerende partij niet voorhouden dat niet alle drie de verzoekende partijen een voordeel kunnen halen uit de vernietiging van een beslissing die op alle drie deze verzoekende partijen en de kinderen van de tweede verzoekster en de derde verzoeker betrekking heeft. Zodoende dient in casu te worden aanvaard dat de tweede verzoekster en de derde verzoeker, zowel in eigen naam als in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen, wel degelijk een persoonlijk belang hebben bij hun beroep, ondanks het feit dat zij zelf geen medische aandoening hebben ingeroepen.
Om deze redenen kan de exceptie van de verwerende partij in casu niet worden bijgetreden. Het beroep ingesteld door de tweede verzoekster en de derde verzoeker, in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen, tegen de bestreden beslissing is ontvankelijk.