Samenvatting
In toepassing van artikel 24 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bestaat er bij overlijden van een partij een mogelijkheid tot hervatting van het rechtsgeding door de erfgenamen, rechtsopvolgers, van de overledene. De hervatting van het rechtsgeding dient te gebeuren door middel van een verzoekschrift dat een uiteenzetting van de redenen van hervatting bevat en dat voor het overige voldoet aan enkele procedurele ontvankelijkheidsvoorwaarden.
Aangaande de termijn waarover de rechtshebbenden van de overledene beschikken om rechtsgeldig om een hervatting van het rechtsgeding te verzoeken, wordt niets bepaald in de vreemdelingenwet noch in het procedurereglement van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever is dat de procedure van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State (Parl.St. Kamer, 2005-2006, nr. 2479/001, 116-117).
Gelet op de uitdrukkelijke wil van de wetgever, baseert de Raad zich op de desbetreffende regelgeving van de Raad van State. Artikel 55, tweede lid van het procedurereglement van de Raad van State bepaalt dat in geval van overlijden, behoudens spoedeisend geval, de rechtspleging geschorst wordt gedurende de termijn die aan de erfgenamen wordt toegekend om de inventaris te maken en te beraadslagen. Deze schorsing zorgt ervoor dat de erfgenamen zich intussen kunnen bezinnen over de vraag of zij het rechtsgeding al dan niet wensen te hervatten (R. STEVENS, Raad van State. Het procesverloop, Brugge, Die Keure, 2007, nr. 680). Die termijn is ingevolgde artikel 795 van het Burgerlijk Wetboek vastgelegd op drie maanden en veertig dagen vanaf het openvallen van de nalatenschap.
De termijn van drie maanden en veertig dagen, waarover de erfgenamen van de overledene beschikken voor het opmaken van de inventaris en om zich te beraden over de aanvaarding of de verwerping van de opengevallen nalatenschap overeenkomstig artikel 795 van het Burgerlijk Wetboek is inmiddels verstreken, zodat, gelet op de afwezigheid van een hervatting van geding, de zaak van de rol wordt afgevoerd.