Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 163.046 - 26-02-2016

Samenvatting

Te dezen wordt de verzoekster in toepassing van artikel 74/14, § 3, 3°, van de Vreemdelingenwet bevolen om onmiddellijk, dit wil zeggen zonder dat haar een termijn gegeven wordt, het grondgebied te verlaten omdat zij “op heterdaad betrapt (is) voor winkeldiefstal” en aldus “een gevaar (is) voor de openbare orde en de nationale veiligheid”.
 
De verzoekster kan worden gevolgd waar zij in het tweede middel stelt dat “(h)et libelleren van een persoon als een gevaar voor de openbare orde (…) een zware betichting (is)” en dat “deze conclusie (…) niet lichtzinnig (kan) worden geformuleerd”. Te dezen blijkt noch uit de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het administratief dossier de ernst van het ten laste gelegde feit, dat door de verzoekster overigens formeel betwist wordt. In het “(a)dministratief verslag vreemdelingencontrole”, dat zich in het administratief dossier bevindt, wordt enkel vermeld dat de verzoekster op 3 oktober 2015 door de politie “wordt gevat als mededader van verschillende feiten van winkeldiefstal te Gent”. Bij “(a)ard van de feiten:” staat in dit verslag “(i)nbreuken op de wetgeving inzake het verblijf van vreemdelingen” vermeld en de vraag of er heterdaad is, wordt in dit verslag zelfs opengelaten (“JA-NEEN”). Zoals de verzoekster aanhaalt, bevat dit administratief verslag derhalve “enkel summiere gegevens, welke niet toelaten op precieze en nauwkeurige wijze kennis te nemen van de feitelijkheden voorhanden in het dossier”. De verzoekster kan dan ook worden gevolgd waar zij stelt dat “(d)e loutere redactie van dit PV zonder bijkomende en niet vastgestelde feiten (…) op zich geen indicatie (is) voor de verwachting dat verzoekster zich aan strafbare feiten schuldig zouden maken of een gevaar zouden vormen voor onze openbare orde” en dat “behoudens de redactie van een PV (…) het dossier geen enkele informatie (bevat) nopens verzoekster, noch nopens diens strafrechtelijk verleden, noch nopens diens persoonlijke, professionele of familiale situatie”. Hierbij kan er op worden gewezen dat het Hof van Justitie op 11 juni 2015 in de zaak C-554/13 heeft geoordeeld dat artikel 7, vierde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: Terugkeerrichtlijn), dat gedeeltelijk werd omgezet in artikel 74/14, § 3, 3°, van de Vreemdelingenwet, in die zin moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale praktijk volgens welke een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander wordt geacht een gevaar voor de openbare orde te vormen in de zin van die bepaling, louter omdat hij wordt verdacht van het plegen van een naar nationaal recht als misdrijf strafbaar gesteld feit of daarvoor strafrechtelijk is veroordeeld (HvJ 11 juni 2015, C-554/13, Z. Zh. en O. /Staatssecretaris voor veiligheid en justitie, § 54). Het Hof meent dat het begrip “gevaar voor de openbare orde” in de zin van artikel 7, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn per geval dient te worden beoordeeld “teneinde na te gaan of de persoonlijke gedragingen van de betrokken derdelander een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormen” en dat een lidstaat, wanneer zij zich daarbij steunt “op een algemene praktijk of een vermoeden om vast te stellen dat er sprake is van een dergelijk gevaar, zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de persoonlijke gedragingen van de derdelander en met het gevaar dat van die gedragingen uitgaat voor de openbare orde, (…) voorbij (gaat) aan de vereisten die voortvloeien uit een individueel onderzoek van het betrokken geval en uit het evenredigheidsbeginsel” (HvJ 11 juni 2015, C-554/13, Z. Zh. en O. /Staatssecretaris voor veiligheid en justitie, § 50).
 
Gelet op het voorgaande, is het kennelijk onredelijk om in casu op basis van de gegevens van het administratief dossier te besluiten dat de verzoekster een gevaar is voor de openbare orde, louter omdat zij op heterdaad betrapt werd voor winkeldiefstal. Een schending van de materiële motiveringsplicht, in het licht van artikel 74/14, § 3, 3°, van de Vreemdelingenwet, wordt aangetoond.