Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 163.751 - 9-03-2016

Samenvatting

De verzoekende partij betoogt in haar verzoekschrift dat de gemachtigde ten onrechte stelt dat haar inkomsten “naar toekomst toe” onzeker zijn en wijst hierbij uitdrukkelijk op artikel 6 van voormelde overeenkomst met C., en meent dat de kans bestaat dat zij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur krijgt.
 
De Raad stelt vast dat artikel 6 van de betrokken overeenkomst van 28 februari 2015 – overeenkomst die zich in het administratief dossier bevindt en waarnaar de bestreden beslissing uitdrukkelijk verwijst – inderdaad het volgende bepaalt: “Indien er bij de werkgever vacatures zijn voor dezelfde of soortgelijke functies op basis van een “arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur”, zal de werknemer, die op basis van dit minimumcontract werkt, bij voorrang deze functie aangeboden krijgen.”
 
Vervolgens dient te worden vastgesteld dat de gemachtigde in de bestreden beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden weliswaar uitdrukkelijk aangeeft de betrokken overeenkomst ten gronde te hebben bekeken, maar hierbij slechts stelt dat de verzoekende partij hier slechts tewerkgesteld wordt tot 29 februari 2016 en dit onder een min-max-contract, dat de arbeidsduur per week minimaal 3 uur en maximaal 20 uur bedraagt en dat het recht op loon is uitgesloten indien en voor zover de werkgever geen werkzaamheden opdraagt boven het minimum overeengekomen aantal uren en indien betrokkene door ziekte geen werkzaamheden heeft verricht. Zodoende blijkt niet dat de gemachtigde met voormeld artikel 6 rekening heeft gehouden. De Raad benadrukt dat het niet aan hem als annulatierechter is om in de plaats van de gemachtigde uit voormeld artikel 6 bepaalde conclusies te trekken, maar wijst erop dat de gemachtigde zich in het kader van zijn motiverings- en zorgvuldigheidsplicht niet kan beperken tot een selectieve, eenzijdige lezing van de door de verzoekende partij voorgelegde documenten. Uit de motivering van de bestreden beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden blijkt niet dat de gemachtigde met het geheel van de voorgelegde overeenkomst van de verzoekende partij met C. heeft rekening gehouden, terwijl deze nochtans elementen bevat die een invloed zouden kunnen hebben op de beoordeling van de gemachtigde met betrekking tot het voldoende gegarandeerd zijn van de bestaansmiddelen “naar de toekomst toe”.
 
In haar nota met opmerkingen betoogt de verwerende partij met betrekking tot voormeld artikel 6 dat de verzoekende partij zich beperkt tot hypothetische beschouwingen en dat deze geen afbreuk kunnen doen aan de terechte vaststellingen van de gemachtigde, en dat het uiteraard niet is omdat er in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met C., in artikel 6 is bepaald dat “indien er bij de werkgever vacatures zijn voor dezelfde of soortgelijke functies op basis van een ‘arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd’, zal de werknemer, die op basis van dit minimumcontract werkt, bij voorrang deze functies aangeboden krijgen”, dat de arbeidssituatie van de verzoekende partij wel als zeker moet worden aangezien. Er dient te worden vastgesteld dat de verwerende partij zich hiermee beperkt tot een a posteriori motivering, die niet vermag het gebrek aan motivering en zorgvuldigheid in dit verband te herstellen. De Raad benadrukt nogmaals dat uit de bestreden beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden in het geheel niet blijkt dat de gemachtigde met voormeld artikel 6 rekening heeft gehouden. Ook het feit dat de verzoekende partij niet ingaat op de motivering aangaande de betrokken overeenkomst die wel in voormelde beslissing is opgenomen, kan geen afbreuk doen aan het feit dat de gemachtigde in zijn motivering blijkt geeft van een partiële lezing van het betrokken stuk en dat niet blijkt dat de gemachtigde het door de verzoekende partij aangehaalde artikel 6 van de overeenkomst met C. bij zijn beoordeling in aanmerking heeft genomen.