Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 163.944 - 11-03-2016

Samenvatting

1.6. Gelet op de voormelde gegevens waarover de Raad op 9 maart 2016 rond 18 u beschikt alsook het verzoekschrift waarin geargumenteerd wordt dat door de in punt 1.3. bedoelde beslissing verzoekster in het bezit diende gesteld te worden van een attest van immatriculatie gezien ze terugviel op een ontvankelijk verklaarde medische regularisatieaanvraag wat volgens verzoekster met zich meebrengt dat de vorige bevelen om het grondgebied te verlaten uit het rechtsverkeer zijn verdwenen, wat volgens verzoekster maakt dat ze beschikt over een beroepstermijn van 10 dagen, verstuurt de Raad een beschikking op 9 maart 2016, waarbij partijen opgeroepen worden te verschijnen op de terechtzitting van 10 maart 2016 om 16u. In de beschikking wordt verwezen naar de toepassing van artikel 39/83 van de Vreemdelingenwet. De Raad wenst net zoals op de terechtzitting opnieuw te benadrukken dat de verwerende partij zelfs in het geval van een zogenaamde beveiligde vlucht niet mag en kan negeren dat het geen beschikking betreft zoals bedoeld in artikel 39/82, §4, zevende lid van de Vreemdelingenwet, en zelfs niet een beschikking zoals bedoeld in artikel 39/82, §4, derde lid, van de Vreemdelingenwet. Het houdt in dat de verwerende partij niet kan en niet mag overgaan tot gedwongen tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dan nadat partijen zijn gehoord op de voorziene terechtzitting en de Raad besluit onderhavige vordering te verwerpen.
 
1.7. De voorziene repatriëring van verzoekster op 9 maart 2016 om 21u30 werd finaal door de verwerende partij afgelast weliswaar nadat de Raad op intensieve wijze heeft moeten aandringen om de wettelijke bepalingen terzake te respecteren. De Raad kan niet anders dan vaststellen dat de initieel weigerachtige en zelfs agressieve attitude van de verwerende partij in deze een betreurenswaardige houding betreft die een rechtstaat onwaardig is.
 
1.8. Uit het administratief dossier dat overhandigd wordt aan de Raad op 10 maart 2016 blijkt dat de verwerende partij op 9 maart 2016 ten aanzien van verzoekster een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met oog op verwijdering (bijlage 13 septies) treft. Deze beslissing wordt op 9 maart 2016 om 21 u30 betekend.
 
1.9. Uit het administratief dossier dat overhandigd wordt aan de Raad op 10 maart 2016 blijkt tevens dat de verwerende partij op 9 maart 2016 ten aanzien van verzoekster partner een bevel om het grondgebied te verlaten met vasthouding met oog op verwijdering (bijlage 13 septies) treft. Deze beslissing wordt op 9 maart 2016 om 10 u45 betekend.
 
2.1. Aan de verwerende partij werd ter terechtzitting gevraagd of ze de bestreden beslissing ingetrokken heeft of intrekt gelet op de in punt 1.8. bedoelde beslissing. De verwerende partij ontkent dit ter terechtzitting en stelt dat beide beslissingen naast mekaar blijven bestaan.
 
2.2. De in punt 1.8. bedoelde beslissing betreft nagenoeg dezelfde beslissing als de bestreden beslissing. Zij bevat nagenoeg dezelfde passages als de bestreden beslissing. Enkel figureren er bijkomende motieven in het licht van artikel 8 EVRM. Deze vaststelling vindt steun in het administratief dossier waarin zich een nota bevindt die door B.E. van de dienst Permanentie op 9 maart 2016 om 22 uur 21 minuten werd opgesteld. Hierin kan gelezen worden “Madame B. a décidé de ne pas laisser partir l'intéressée et ses 2 enfants. Ils devront être conduits à Caricole et une nouvelle 13 septies devra être établie avec la motivation de l'ancienne (pas de réécrou) à la demande de B.M. (instructions communiquées à V.H. et J.V. peu avant 22.00). Mme B.demande qu'il soit ajouté la motivation article 8 CEDH ».
 
2.3. Hieruit kan afgeleid worden dat de verwerende partij de gang van zaken heeft aangewend om eenzelfde beslissing te treffen als de bestreden beslissing, doch beter gemotiveerd in het licht van artikel 8 EVRM. De Raad dient dan ook prima facie te concluderen dat de verwerende partij door het treffen van de in punt 1.8. bedoelde beslissing, de bestreden beslissing impliciet heeft ingetrokken.
 
2.4. De stelling van de verwerende partij ter terechtzitting dat de bestreden beslissing en de in punt 1.8. bedoelde beslissing naast mekaar kunnen bestaan net zoals bevelen om het grondgebied te verlaten naast elkaar kunnen bestaan gaat niet op, aangezien deze laatste beslissingen het sluitstuk vormen van ingediende aanvragen om verblijf, wat te dezen niet het geval is. De verwerende partij treft uit eigen beweging de in punt 1.8. bedoelde beslissing met de bedoeling een betere beslissing te treffen dan de bestreden beslissing. Dit wijst op een impliciete intrekking van de bestreden beslissing.
 
2.5. Er kan nog aan toegevoegd worden dat een procedure bij hoogdringendheid niet gebaat is met een uitspraak van de Raad over een beslissing die de verwerende partij een paar dagen later zelf aanpast via het treffen van een nieuwe beslissing « avec la motivation de l'ancienne (...)” met dit verschil “qu'il soit ajouté la motivation article 8 CEDH ».
 
2.6. De verzoekende partij is het ter terechtzitting eens met de zienswijze van de Raad.
 
2.7. Aangezien de bestreden beslissing als impliciet ingetrokken dient beschouwd te worden heeft onderhavige vordering geen voorwerp meer en dient ze als doelloos beschouwd te worden.