Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 170.599 - 27-06-2016

Samenvatting

De Raad stelt vervolgens vast dat verzoekers bij hun verzoekschrift kopieën van attesten van UNHCR voegen waaruit blijkt dat zij en hun kinderen in Turkije door UNHCR werden erkend als vluchteling (verzoekschrift, stuk 4). Tevens dient vastgesteld dat noch in het administratief dossier, noch bij onderhavig verzoekschrift of in het rechtsplegingsdossier enige informatie kan worden gevonden over de precieze omstandigheden van deze erkenning door UNHCR. Er dient opgemerkt dat verzoekers in het geheel nalaten zelf enige toelichting te verschaffen bij deze erkenningen, alsook over de reden waarom zij pas bij het indienen van onderhavig beroep deze attesten bijbrengen. Dit klemt des te meer daar verzoekers op de DVZ eveneens nalieten enige melding te maken van het feit dat zij in Turkije door UNHCR als vluchteling werden erkend (administratief dossier, stuk 11).
 
Desalniettemin oordeelt de Raad in casu dat het ontbreken van de precieze gegevens, achtergrond en context van de erkenning van verzoekers en hun kinderen als vluchteling door UNHCR in Turkije ertoe leidt dat essentiële elementen ontbreken om de asielaanvragen van verzoekers te kunnen beoordelen.
 
Het ontbreekt de Raad derhalve aan essentiële elementen om te komen tot de in artikel 39/2, § 1, tweede lid, 1° van de vreemdelingenwet bedoelde bevestiging of hervorming zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen en de bestreden beslissingen dienen overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de vreemdelingenwet te worden vernietigd.