Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 172.840 - 4-08-2016

Samenvatting

De Raad stelt vast dat uit het IOM-rapport niet blijkt dat er geen garanties op adequate opvang of verzorging in het land van herkomst aanwezig zouden zijn, doch wel dat een terugkeer niet aangewezen is omwille van de socio-economische situatie ter plaatse. De gemachtigde stelt dienaangaande niet op kennelijk onredelijke wijze dat, hoewel men kan aannemen dat de levensstandaard in Oezbekistan niet dezelfde is als in België, het gezin van de verzoekende partij het financieel niet breed heeft en afkomstig is uit een eerder armere buurt, op zich onvoldoende is om te stellen dat de duurzame oplossing in België ligt en niet in Oezbekistan. Terwijl uit de bestreden beslissing blijkt dat er een goed en regelmatig contact is tussen de verzoekende partij en haar moeder, dit gegeven vindt steun in het administratief dossier. Uit het rapport van het IOM blijkt nog dat de stiefvader zorgt voor het inkomen van het gezin en er sprake is van een gezond familiaal klimaat. De moeder van verzoekende partij heeft verder duidelijk aangegeven dat zij verzoekende partij mist en bereid is haar terug op te vangen. Verzoekende partij stelt bovendien zelf dat zij altijd bij haar moeder in Oezbekistan heeft gewoond, het leuk was bij haar en zij haar moeder mist. De door de verzoekende partij opgeworpen kritiek betreft uitsluitend socio-economische overwegingen, die op zichzelf onvoldoende zijn om te leiden tot het scheiden van ouder en kind.
 
Het is niet kennelijk onredelijk van de gemachtigde om, rekening houdende met alle elementen van het dossier, de duurzame oplossing in het land van herkomst te situeren omwille van de mogelijkheid tot hereniging van de verzoekende partij met haar moeder.
 
De verzoekende partij kan niet worden gevolgd in de stelling dat de bewijslast uitsluitend rust op de gemachtigde. Uit artikel 61/19 van de Vreemdelingenwet blijkt dat het aan de voogd toekomt om alle bewijskrachtige gegevens en documenten voor te leggen aan de gemachtigde, ter staving van het voorstel voor een duurzame oplossing. Hieruit volgt dat er minstens een gedeelde verantwoordelijkheid is om tot een duurzame oplossing te komen.
 
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de gemachtigde rekening heeft gehouden met de informatie uit het rapport van het IOM, alsook met de verklaringen van de verzoekende partij, haar voogd en haar grootmoeder.