Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 175.998 - 7-10-2016

Samenvatting

Met betrekking tot de interpretatie van het begrip “in het land van herkomst, ten laste zijn of deel uitmaken van het gezin van de Burger van de Unie” in artikel 47/1, 2° van de Vreemdelingenwet, wijst de Raad erop dat hoewel de bewoordingen “in het land van herkomst, ten laste zijn of deel uitmaken van het gezin” vermeld in artikel 47/1 van de Vreemdelingenwet niet geheel samenvallen, moet worden vastgesteld dat dit artikel onbetwistbaar de omzetting vormt van artikel 3, lid 2, a) van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: de Burgerschapsrichtlijn; zie memorie van toelichting bij Wetsontwerp van 9 december 2013 houdende diverse bepalingen inzake Asiel en Migratie tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, Parl.St. Kamer, 2013-2014, doc. nr. 53-3239/001, 20-21). Deze bepaling luidt als volgt: […]
In dit kader kan vervolgens nuttig worden verwezen naar het arrest Rahman van het Hof van Justitie (HvJ 5 september 2012, C-83/11, Rahman). Van belang is te wijzen op de volgende paragrafen van dit arrest: […]
Deze situatie van afhankelijkheid moet volgens dit arrest bestaan in het land van herkomst van het betrokken familielid op het ogenblik dat hij verzoekt om zich te voegen bij de burger van de Unie te wiens laste hij is. Het begrip “land van herkomst” dient volgens het Hof van Justitie te worden begrepen als de staat waarin de aanvrager verbleef of vanwaar hij kwam op het ogenblik dat hij heeft verzocht om de burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen.
De Raad acht het niet onjuist, onzorgvuldig, kennelijk onredelijk of in strijd met de artikelen 47/1 en 47/3, §2 van de Vreemdelingenwet van de gemachtigde om, in het licht van wat het Hof van Justitie heeft gesteld in het voormelde arrest Rahman, in casu van verzoekende partij te vereisen – en dit conform artikel 47/1, 2° van de Vreemdelingenwet – dat zij aantoont reeds van voor haar aankomst in België ten laste te zijn van haar oom of dat zij aantoont reeds van voor haar aankomst in België deel uit te maken van het gezin van de referentiepersoon. Aangezien de gemachtigde stelt dat niet aan deze voorwaarde werd voldaan, doet de vraag of verzoekende partij in België heden deel uitmaakt van het gezin van de referentiepersoon of dat zij heden in België ten laste is van de burger van de Unie, niet ter zake. Het betoog dienaangaande wordt dan ook niet dienstig aangevoerd.