Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 176.351 - 14-10-2016

Samenvatting

Uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij vervolging vreest die overeenstemt met de vrees voor vervolging van zijn vader. Gelet op de erkenning van zijn vader en na de lezing van het administratief dossier is de Raad van oordeel dat de overwegingen zoals opgenomen in de bestreden beslissing geenszins doorslaggevend zijn om de geloofwaardigheid van de door verzoeker uiteengezette asielmotieven volledig te ondermijnen. De opmerkingen in verband met verzoekers verblijfsplaats zijn in casu niet redelijk aangezien verzoeker op het ogenblik dat hij naar Karbala verhuisde geen 16 jaar was, zodat de referentie naar de jaren 2007-2008 of 2007 of zelfs iets vroeger op zich niet problematisch is, niet in het minst wanneer verzoeker nadien de periode kan verbinden met zijn schoolloopbaan en de tewerkstelling van zijn oudste broer M. in Bagdad (CGVS-gehoorverslag, stuk 5, p. 6-7). Bovendien maakt verzoeker aannemelijk dat hij in de stad Karbala heeft gewoond aan de hand van zijn verklaringen over zijn woonplaats, zijn school en zijn directe omgeving, die hij ter zitting nogmaals bevestigt. Deze vaststelling maakt dat de argumentatie dat verzoeker zijn verblijf in Karbala niet aannemelijk maakt, omdat hij onvoldoende op de hoogte is van een avondklok in Karbala op 2 juli 2015 en het aantal incidenten en de tijdsaanduiding van deze incidenten, zinledig. De Raad stelt verder vast dat verzoeker slechts het academiejaar 2014-2015 in Bagdad heeft verbleven, dat hij tijdens zijn eerste jaar de campus en het internaat bijna nooit verliet, gelet op de precaire veiligheidssituatie in Bagdad, zodat de afgelegde verklaringen van verzoeker samen met de voorgelegde documenten zijn verblijf in Zafaraniya voldoende aannemelijk maken (CGVS-gehoorverslag, stuk 5, p. 8-9). Gelet op bovenstaande vaststellingen ondermijnt het afleggen van tegenstrijdige verklaringen over de al dan niet terugkeer naar Karbala van zijn moeder en zijn jongste broer H. en het tijdstip ervan de algemene geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen niet. Dat hij niet tot in de details op de hoogte blijkt te zijn van de problemen die zijn vader heeft, leidt naar het oordeel van de Raad op zich niet tot het besluit dat verzoekers vrees niet reëel zou zijn. Verzoeker is samen met zijn vader op de vlucht gegaan onmiddellijk nadat duidelijk werd dat zij ook in Bagdad werden geviseerd. Verzoekers verklaringen zijn coherent en plausibel, worden ondersteund door documenten en worden niet ontkracht door de landeninformatie die in het dossier aanwezig is, zodat hem in casu het voordeel van de twijfel wordt verleend.
Bijgevolg acht de Raad in tegenstelling tot de Commissaris-generaal dat verzoekers verklaringen voldoende overtuigend kunnen worden ingeschat. Uit het gehoorverslag blijkt een duidelijke en coherente weergave van de vervolgingsfeiten en de overwegingen van de bestreden beslissing zijn onvoldoende om een weigeringsbeslissing te schragen.
De Raad is van oordeel dat in casu in hoofde van verzoeker een gegronde vrees voor vervolging omwille van zijn politieke overtuiging bestaat, zoals deze van zijn vader die reeds erkend is als vluchteling door de Commissaris-generaal.