Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 184.385 - 27-03-2017

Samenvatting

Verweerder geeft in de eerste plaats aan dat het in casu voorgelegde uittreksel uit het strafregister niet
kan worden aanvaard, onder verwijzing naar artikel 27 van het Wetboek van Internationaal Privaatrecht – dat bepaalt dat een buitenlandse authentieke akte in België wordt erkend zonder dat een beroep moet worden gedaan op enige procedure indien haar rechtsgeldigheid wordt vastgesteld krachtens het volgens deze wet toepasselijk recht –, en omdat uit de vaststellingen van de ambassade blijkt dat de stempels en de handtekening op dit document werden geprint en deze bijgevolg niet origineel zijn. Er wordt aldus besloten dat het voorgelegde document frauduleus is.
 
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat op de bevoegde Belgische ambassade inderdaad werd vastgesteld dat het voorgelegde uittreksel uit het strafregister een “fantasiedocument” betreft, nu de handtekening en stempels hierop zijn gespoten. De Raad stelt vast dat verzoekster dit gegeven wezenlijk ook niet betwist in haar middel.
 
Verzoeksters betoog dat Somalische documenten volgens de Belgische autoriteiten per definitie onbetrouwbaar zouden zijn en aldus nooit worden gelegaliseerd, is niet van aard te weerleggen dat het in casu voorgelegde uittreksel uit het strafregister, of gelijkwaardig document, frauduleus is. In dit
verband merkt de Raad op dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen voorgelegde documenten die duidelijk nagemaakt en frauduleus zijn, enerzijds, en andere documenten die uitgaan van de autoriteiten van het land die niet worden gelegaliseerd omdat België de regering van Somalië niet erkent, anderzijds. Het standpunt van verweerder in de nota dat verzoeksters kritiek er ten onrechte van uitgaat dat het uittreksel uit het strafregister niet werd aanvaard omdat het niet is gelegaliseerd, dient te worden bijgetreden. Zo wordt in de bestreden beslissing op geen enkel ogenblik gesteld dat de voorgelegde bewijsstukken uit Somalië – waaronder ook de geboorteakte, het medische attest en het huwelijksattest – niet worden aanvaard omdat deze documenten niet in aanmerking zouden komen voor legalisatie. Enkel wat het voorgelegde uittreksel uit het strafregister betreft, wordt vastgesteld dat het een duidelijk frauduleus document is en om deze reden niet kan worden aanvaard. Wat de overige stukken betreft, wordt op zich niet aangegeven dat deze niet kunnen worden aangewend in het kader van de aanvraag gezinshereniging, niettegenstaande deze evenmin zijn gelegaliseerd. De vaststelling dat een document een “fantasiedocument” is en duidelijk frauduleus is, is een totaal andere weigeringsgrond dan de vaststelling dat een document niet in aanmerking zou komen voor legalisatie omdat België de regering van Somalië niet erkent.
 
Verzoekster kan aldus niet worden bijgetreden waar zij op algemene wijze stelt als zou verweerder geen enkel document uit Somalië aanvaarden in het kader van de gezinshereniging omdat de Somalische regering door België niet wordt erkend. Een dergelijke conclusie kan niet worden getrokken uit de bestreden beslissing zelf en wordt door verzoekster niet aannemelijk gemaakt. In het licht hiervan maakt verzoekster ook niet aannemelijk als zou zij, nu België geen enkel document uit Somalië aanvaardt, geen enkel ander document hebben kunnen neerleggen om haar goed gedrag en zeden te bewijzen en de bewijsvoering voor haar onmogelijk worden gemaakt. Op geen enkele wijze maakt verzoekster aannemelijk dat zij geen uittreksel uit het strafregister of bewijs van goed gedrag en zeden zou kunnen voorleggen dat uitgaat van de plaatselijke autoriteiten, net zoals zij een geboorteakte en huwelijksattest van de plaatselijke autoriteiten kon voorleggen.
 
(…)
De Raad herhaalt dat verweerder bij het nemen van zijn beslissing weliswaar twijfels uitte betreffende de werkelijke identiteit van de aanvrager, doch niet blijkt dat deze twijfels voldoende gesubstantieerd waren om in rechte te kunnen gelden. In de huidige stand van het geding kan een beschermenswaardig gezinsleven worden aangenomen en liggen onvoldoende elementen voor die hier anders over kunnen doen oordelen. Er wordt eveneens herhaald dat in casu de mogelijkheid om in het herkomstland het gezinsleven verder te zetten problematisch is, nu de echtgenoot erkend vluchteling is en niet direct blijkt dat er sprake is van een derde land waar de gezinshereniging mogelijk is. In casu wordt verder wezenlijk niet betwist dat het bewijs van de verwantschapsband voorlag noch dat verzoekster in beginsel in aanmerking kan komen voor gezinshereniging. In dergelijke omstandigheden is de Raad van oordeel dat verweerder, in het licht van voorgaande bespreking, in casu een belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM diende door te voeren. Het gegeven dat een frauduleus document ter staving van het bewijs van goed gedrag en zeden voorlag, kan hierbij een bezwarend element zijn, maar een belangenafweging veronderstelt dat alle relevante elementen, en dus ook deze die betrekking hebben op het gezinsleven van verzoekster, in de weegschaal worden gelegd. In casu blijkt niet dat dergelijke belangenafweging werd doorgevoerd en de Raad kan niet zelf tot deze beoordeling en belangenafweging overgaan zonder zich in de plaats van het bestuur te stellen (cf. RvS 26 juni 2014, nr. 227.900). De Raad kan alleen maar vaststellen dat noch uit de motieven van de bestreden beslissing noch uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing is tegemoetgekomen aan de beoordeling die hem toekwam in het licht van artikel 8 van het EVRM. De belangenafweging en beoordeling waarvan voor het eerst blijk wordt gegeven in de nota betreft een a posteriori motivering en kan door verweerder niet dienstig worden bijgebracht om de vermelde onregelmatigheid recht te zetten.