Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 192.015 - 14-09-2017

Samenvatting

Te dezen wordt met de bestreden beslissing het recht op verblijf van meer dan drie maanden van de verzoekster beëindigd omdat zij “onder valse voorwendsels het verblijfsrecht als familielid van een Belg heeft bekomen”. De gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris baseert zich hiervoor (enkel) op een beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent van 27 september 2016 waarbij het huwelijk van de verzoekster en haar echtgenoot niet erkend werd omdat het huwelijk er enkel op gericht zou zijn om de verzoekster “het verblijfsrechtelijk voordeel te bezorgen dat verbonden is aan de staat van gehuwde”.
 
De verzoekster werpt hiertegen op dat hierbij geen rekening werd gehouden met een schrijven van haar raadsman van 23 december 2016 waarin deze had gewezen op haar gezondheidsproblemen en de fertiliteitsonderzoeken die zij liet doen en op het feit dat haar echtgenoot haar om deze redenen had verlaten. Zij meent dat deze zaken “duidelijk wijzen op een kinderwens” en dus op een “wil om een duurzame gemeenschap te stichten”.
 
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt inderdaad dat de raadsman van de verzoekster op 23 december 2016 een schrijven had gericht naar de bevoegde dienst van de verwerende partij waarin op deze zaken werd gewezen. Dit wordt ook erkend in de nota met opmerkingen. Desalniettemin blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing niet dat hiermee rekening werd gehouden bij het nemen van deze beslissing. Daargelaten de vraag of deze elementen van aard zijn om de vaststelling dat de verzoekster “onder valse voorwendsels het verblijfsrecht als familielid van een Belg heeft bekomen” te ondermijnen – het komt de Raad in het kader van zijn annulatiebevoegdheid niet toe om een dergelijke beoordeling in de plaats van het bestuur te maken – dienden deze elementen door de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris te worden meegenomen bij zijn beoordeling. De gemachtigde was immers voor de erkenning van de buitenlandse huwelijksakte niet gebonden door de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent van 27 september 2016. Uit artikel 27, § 1, eerste lid, van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht (hierna: WIPR) volgt immers dat elke administratieve overheid bij de uitoefening van haar bevoegdheden de erkenning van een vreemde akte kan weigeren (RvS 1 april 2009, nr. 192.125; cf. M. TRAEST, commentaar bij artikel 27 in J. ERAUW e.a. (eds.), Het wetboek Internationaal Privaatrecht becommentarieerd, Antwerpen, Intersentia, 2004, (152) 153-154).
 
Aldus schendt de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris, door bij de vaststelling dat de verzoekster “het verblijfsrecht heeft bekomen door valse of misleidende informatie te verstrekken of valse of vervalste documenten te hebben gebruikt” geen rekening te houden met het schrijven van de raadsman van de verzoekster van 23 december 2016, de materiële motiveringsplicht.
 
Een schending van de materiële motiveringsplicht wordt aangenomen.
 
(…)
 
In zoverre de verwerende partij zou voorhouden gebonden te zijn door het oordeel van de ambtenaar van de burgerlijk stand, wordt aangestipt dat artikel 27, § 1, eerste lid, van het WIPR de bevoegdheid tot ‘de plano-erkenning’ toevertrouwt aan ‘alle overheden’, zodat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris derhalve, alvorens een beslissing te nemen inzake de beëindiging van het recht op verblijf van meer dan drie maanden, kan verifiëren of het huwelijk waarop de verzoekster zich beroept in België rechtsgeldig is, en dit rekening houdend met alle elementen waarover hij beschikt. Het gegeven dat de verzoekster geen beroep heeft ingesteld tegen de weigeringsbeslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Gent ontslaat de gemachtigde er dan ook niet van een grondig onderzoek te voeren naar de hem voorliggende elementen die de concrete situatie van de verzoekster daadwerkelijk kenmerken. Het is hierbij niet uitgesloten dat de gemachtigde tot het zelfde standpunt komt als de ambtenaar van de burgerlijke stand, doch er zal moeten blijken dat hij hierbij rekening heeft gehouden met alle hem voorliggende elementen, quod non in casu.