Samenvatting
Op basis van de veelheid aan en de concrete inhoud van de door verzoekster neergelegde, nieuwe medische attesten, rapporten en verslagen in het kader van haar tweede asielaanvraag kan niet worden ontkend dat verzoekster in het verleden slachtoffer is geworden van ernstige feiten van foltering en seksueel geweld, los van de vraag naar de geloofwaardigheid van de onderliggende oorzaak hiervan. Evenmin kan worden ontkend dat verzoekster hiervan heden zowel fysiek als psychisch duidelijke en waarneembare sporen vertoont. Bovendien dient de Raad ook rekening te houden met de activiteiten die verzoekster heeft uitgeoefend sedert zij haar land van herkomst heeft verlaten, die haar zouden kunnen blootstellen aan vervolging bij terugkeer.
Op basis van de stukken voorhanden in het dossier, waaronder de stukken die verzoekster omtrent haar vrijwilligerswerk en haar activisme in België bij het verzoekschrift voegt en neerlegt door middel van een aanvullende nota, dient te worden vastgesteld dat zij haar profiel en activiteiten als vrouwenrechtenactiviste aannemelijk maakt, nu zij bijvoorbeeld haar medewerking verleende aan de organisatie van “International Day of the Girl Child Meeting” op 11 oktober 2017 in het Europees parlement en werd geprezen omwille van haar netwerk, “excellent contacts with Amnesty and with medical experts on FGM” (aanvullende nota van 3 oktober 2017, stuk 4). In de bestreden beslissing werd in dit kader overigens reeds uitdrukkelijk erkend dat verzoekster in België een actieve rol blijkt op te nemen in de strijd tegen besnijdenis en gender-gerelateerd geweld, dat zij verscheidene documenten neerlegde waaruit blijkt dat zij geregeld over gender-gerelateerd geweld ging spreken, dat zij zelfs een eigen organisatie heeft opgericht om te vechten voor vrouwenrechten en dat zij getuigde over haar ervaringen tijdens een conferentie.
Mede in acht genomen dat zij duidelijke en zichtbare fysieke en psychische sporen vertoont van reeds in het verleden ondergane ernstige feiten van foltering en seksueel geweld, is het, in het licht van de aangebrachte informatie over de screenings en controles bij een terugkeer, als alleenstaande vrouw, naar haar land en regio van herkomst en de handhaving van de openbare orde en de behandeling van vrouwenrechtenactivistes en vrouwelijke gedetineerden aldaar, in dit geval aannemelijk dat verzoekster bij een terugkeer naar haar land en regio van herkomst of daarna in de negatieve aandacht zal komen van de Soedanese autoriteiten, zal worden geïdentificeerd of beschouwd als vrouwenrechtenactiviste en dien ten gevolge riskeert te worden vervolgd.