Samenvatting
Op 1 juli 2008 geeft de Minister van Migratie- en asielbeleid verzoekster een bevel om het grondgebied te verlaten. Op dat ogenblik was er omtrent de aanvraag van verzoekster om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, nog geen beslissing genomen. De Minister van Migratie- en asielbeleid besliste derhalve verzoekster een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven, zonder te hebben geoordeeld of verzoekster buitengewone omstandigheden had aangevoerd, die een aanvraag in haar land van herkomst zouden verhinderen. Hoewel het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet geen schorsende werking heeft, maakt verzoekster met haar betoog dat "(a)lvorens een verwijderingsmaatregel te nemen de bevoegde Minister uitspraak (dient) te doen over de verblijfsvergunning die werd aangevraagd voor meer dan drie maanden nadat een uiteenzetting werd gegeven van de buitengewone omstandigheden die rechtvaardigen dat die aanvraag wordt ingediend bij de burgemeester van de gemeente van betrokkene", aannemelijk dat de Minister van Migratie- en asielbeleid op kennelijk onredelijke wijze heeft besloten verzoekster een bevel om het grondgebied te verlaten af te geven.