Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 199.208 - 5-02-2018

Samenvatting

Verzoeker kan worden bijgetreden dat de bestreden beslissing wat de herkomst van verzoeker betreft zeer eenzijdig ingaat op verzoekers geografische kennis. Een gedegen herkomstcheck omvat ook andere aspecten. Uit het administratief dossier blijkt trouwens dat zowel verzoeker als zijn echtgenote uitgebreid werden ondervraagd over andere aspecten die relevant zijn om de herkomst uit de regio van Kismayo aannemelijk te maken dan louter hun kennis van de nabije omgeving. Verzoekers kennis van de relevante clans (CGVS-gehoorverslag, stuk 5, p. 13-14) en van de socio-politieke achtergrond (Ibid., p. 14-16) van zijn regio van herkomst, blijkt uit zijn verklaringen die quasi gelijklopend zijn met deze van zijn echtgenote (CGVS-gehoorverslag A.N.S., stuk 6, p. 4, 9 en 18-20). Overigens dient te worden opgemerkt dat verzoekers echtgenote geen enkel document heeft neergelegd ter ondersteuning van haar identiteit en herkomst (Ibid., p. 11). Verzoeker heeft ter ondersteuning van zijn herkomst een geboorteattest bijgebracht (Documenten, stuk 16, nr. 1) en in het administratief dossier bevinden zich nog talrijke documenten die werden gehanteerd in het kader van zijn aanvraag tot gezinshereniging (Documenten DVZ, “Documenten buiten de asielprocedure”, stuk 14). Deze laatste stukken zijn verzoekers verklaringen en documenten die kunnen worden gerelateerd aan zijn identiteit, nationaliteit, landen en plaatsen van eerder verblijf, reisroutes en -documenten. De bestreden beslissing gaat echter slechts op algemene wijze in op het geboorte-attest, zonder de overige documentatie die werd gehanteerd in het kader van de aanvraag tot gezinshereniging in rekening te brengen, en stelt bijgevolg op basis van een onvolledig onderzoek van de relevante elementen ter staving van het asielrelaas dat verzoeker heeft verzaakt aan zijn medewerkingsplicht. Deze vaststellingen volstaan om de conclusie van de bestreden beslissing dat verzoeker zijn herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt in wezen omwille van de vaststellingen inzake zijn geografische kennis, te weerleggen. Wat de aangehaalde vrees voor vervolging betreft, beroept verzoeker zich op de bescherming van het Vluchtelingenverdrag op grond van een vrees voor de terroristische groepering Al Shabaab,  net als zijn echtgenote. De behoefte aan bescherming werd uitdrukkelijk erkend in hoofde van verzoekers echtgenote met de beslissing van de adjunct-commissaris-generaal van 2 juni 2015: “Na een grondige beoordeling van de motieven van uw asielaanvraag beslis ik u de hoedanigheid van vluchteling toe te kennen.” Verzoeker is kort na het vertrek van zijn echtgenote uit Somalië vertrokken met de kinderen van zijn echtgenote en zijn minderjarige schoonbroer en -zus omwille van dezelfde problemen met de terroristische groepering Al Shabaab. In het administratief dossier bevinden zich attesten die bevestigen dat verzoekers schoonbroer en -zus werden geregistreerd als Somalische asielzoekers in Oeganda en, gevraagd of verzoeker ooit eerder asiel heeft aangevraagd, stelde verzoeker dat hij in Oeganda was als vluchteling (Ibid.; CGVS-gehoorverslag, stuk 5, p. 6). Verzoeker kampt met een penibele gezondheidstoestand die op zich in de bestreden beslissing niet wordt betwist. Deze wordt immers gestaafd aan de hand van verschillende en omstandige medische attesten (Documenten, stuk 16, nrs. 7-11). Tot slot is verzoeker, louter door zijn verwantschap met zijn echtgenote die als vluchteling werd erkend normaal gezien op zodanige wijze kwetsbaar voor daden van vervolging dat zulks een grond voor de toekenning van de status van vluchteling kan vormen (Richtlijn 2011/95/EU, overweging 36). Ter terechtzitting bevestigt verzoeker dat hij nog steeds is gehuwd met mevrouw A.N.S. en de commissaris-generaal sluit zich hierbij aan. In acht genomen hetgeen voorafgaat, kan worden aangenomen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging koestert in de zin van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag, zoals bepaald in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet.