Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 199.595 - 12-02-2018

Samenvatting

Verzoekster beweert dat haar een bijlage 19ter diende te worden afgeleverd, maar zij gaat eraan voorbij dat zij onmogelijk beschouwd kan worden als een familielid “bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°” van de vreemdelingenwet. Uit de beschikbare informatie blijkt immers dat de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Antwerpen op 3 april 2017 de volgende beslissing nam toen verzoekster haar Marokkaanse huwelijksakte in België erkend wenste te zien:
“U bezorgde mij uw huwelijksakte opgesteld in Nador, Marokko met huwelijksdatum 08/09/1978. Ik weiger deze huwelijksakte te erkennen in België en weiger dit huwelijk te registreren in het vreemdelingenregister. Op het moment van het huwelijk was mevrouw S. F. slechts veertien jaar oud. Kindhuwelijken zijn fundamenteel in strijd met de universele rechten van het kind en doen daarom afbreuk aan de Belgische internationale openbare orde. Indien u niet akkoord bent met deze beslissing, kan u een vordering tot erkenning van uw buitenlandse huwelijksakte indienen bij de familierechtbank van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen. U moet deze vordering instellen op eenzijdig verzoekschrift, de instelling van deze vordering is niet gebonden aan een termijn. U kan steeds huwelijksaangifte doen in Antwerpen district Antwerpen, en uw huwelijk geldig in België laten voltrekken. […]”
 
Verzoekster maakt niet aannemelijk dat zij de weigeringsbeslissing heeft aangevochten voor de familierechtbank, waardoor de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand, waarbij de erkenning van haar buitenlandse kindhuwelijk, hetgeen afbreuk zou doen aan de Belgische internationale openbare orde, werd geweigerd, tot op heden geldig blijft en verzoekster thans niet als echtgenote van een Belg kan worden beschouwd. Zij heeft geen deugdelijk bewijs van haar huwelijksband voorgelegd, waardoor “de burgemeester of zijn gemachtigde” conform artikel 52, §1, derde lid, van het vreemdelingenbesluit “de aanvraag niet in overweging” diende te nemen “door middel van een document overeenkomstig het model van bijlage 19quinquies. Hij overhandigt geen bijlage 19ter.” Verzoekster toont niet aan dat het bestuur een voorwaarde zou hebben toegevoegd aan de wet.
 
Het enig middel is ongegrond.