Samenvatting
Artikel 1D sluit alleen personen die “thans bescherming of bijstand genieten” van een ander orgaan of andere instelling van de Verenigde Naties dan de UNHCR, uit van de werkingssfeer van dit verdrag. Het Hof van Justitie oordeelde in het arrest Nawras Bolbol tegen Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal (HvJ 17 juni 2010, C-31/09) dat uit de duidelijke bewoordingen van artikel 1D van het Verdrag van Genève volgt dat alleen degenen die daadwerkelijk de door het UNRWA geboden hulp hebben ingeroepen, onder de daarin genoemde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus vallen, welke als zodanig strikt moet worden uitgelegd en derhalve niet tevens betrekking kan hebben op personen die er enkel voor in aanmerking komen of kwamen om bescherming of bijstand van deze instelling te genieten (§ 51). In El Kott tegen Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal (HvJ 19 december 2012 C 364/11) verduidelijkte het Hof dat artikel 1D moet worden uitgelegd dat de in die bepaling neergelegde grond voor uitsluiting van de vluchtelingenstatus niet alleen van toepassing is op de personen die thans de door UNRWA verleende bijstand genieten, maar ook op diegenen die die bijstand daadwerkelijk hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat, voor zover die bijstand evenwel niet is opgehouden in de zin van het tweede lid (§ 52). Het loutere feit dat verzoeker een registratiekaart van UNRWA neerlegt volstaat niet om aan te tonen dat hij kort voor het indienen van zijn asielaanvraag in België de bijstand van UNRWA heeft ingeroepen/genoten.
Verzoeker wijst op aanbevelingen van UNHCR omtrent de toepassing van artikel 1D. Hierbij moet worden opgemerkt dat dit slechts aanbevelingen zijn en derhalve geen bindend juridisch karakter hebben. Het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde correct dat verzoeker niet onder de toepassing van artikel 1 D van het Vluchtelingenverdrag valt.
Het citeren uit algemene informatie waaruit blijkt dat als de verblijfsvergunning is vervallen en niet werd vernieuwd de Palestijnse vluchteling zal worden vastgehouden door de overheid en gedeporteerd worden en dat een terugkeer naar de Verenigde Arabische Emiraten enkel aanvaard wordt wanneer er voldaan is aan de wettelijke voorwaarden, volstaat niet om aan te tonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade zal lopen bij terugkeer. Dit moet concreet worden aangetoond en verzoeker blijft hier in gebreke.
Deze wettelijk voorwaarden houden volgens verzoekers informatie in dat er voorafgaandelijk werk moet worden gevonden en een werkgever of een staatburger van de Verenigde Arabische Emiraten bereid is hem te sponsoren. Verzoeker stelt dat dit niet het geval zonder enig concreet element aan te brengen waaruit blijkt dat hij niet bij machte is om aan deze voorwaarden te voldoen.
De Raad stelt vast dat verzoeker geboren en getogen werd in de Verenigde Arabische Emiraten en dat zijn ouders en broers daar wonen en zijn tewerkgesteld (stuk 14, Verklaring DVZ, vragen 13 en 17). Verder verklaarde verzoeker dat hij na zijn universitaire studies eerst tewerkgesteld was in het bedrijf van zijn vader als marketing manager, maar dat hieraan een einde kwam omdat het bedrijf failliet ging (stuk 8, gehoorverslag, p. 6). Verzoeker heeft vervolgens zijn illegaal verblijf kunnen regulariseren door het betalen van een boete. Vervolgens stelt hij opnieuw werk te hebben gevonden, maar deze nieuwe job zelf verliet door onenigheid met zijn werkgever omwille van een loonsopslag die hij niet kreeg ondanks de eerder gedane belofte van zijn werkgever. Zijn werkgever heeft hem zelf voor de keuze geplaatst of hij in dezelfde omstandigheden wilde verder werken (stuk 8, gehoorverslag, p. 7). Verzoeker heeft er dan ook zelf voor gekozen om zijn job op te zeggen goed wetende dat hij mogelijks opnieuw in een precaire verblijfssituatie zou kunnen terechtkomen. Een dergelijke handelswijze wijst er dan ook op dat verzoeker desbetreffend geen problemen zag. Daarnaast gaf verzoeker te kennen dat zijn vader een investeerder was, die eerst een eigen bedrijf had om vervolgens in een privébedrijf te gaan werken waar hij nu cursussen geeft over belastingen en dat zijn broers bij een Amerikaans boekhoudkantoor zijn tewerkgesteld (stuk 8, gehoorverslag, p. 5, 7). Verzoeker omschrijft zichzelf ook als een zakenman (stuk 14, verklaring DVZ, vraag 12). Gelet op deze vaststellingen maakt hij niet aannemelijk dat hij geen werk zou kunnen vinden. Er wordt geen enkel element bijgebracht waaruit zou kunnen blijken dat verzoeker hier niet de nodige inspanningen zou kunnen doen om te voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Verzoeker maakt gelet op de voorgaande vaststellingen geenszins aannemelijk dat hij niet aan de wettelijke voorwaarden zou kunnen voldoen en alsnog een legaal verblijf in de Verenigde Arabische Emiraten bekomen, waardoor hij evenmin aantoont dat hij een risico op refoulement naar Gaza loopt. De informatie over UNWRA en de situatie in Gaza zijn dan ook niet dienstig.
Daarenboven stelt de Raad vast dat verzoeker als reden waarom hij bij aankomst in België asiel aanvroeg terwijl hij toch over een studentenvisum beschikte, zelf te kennen gaf dat hij niet over de middelen beschikt om zichzelf in België te onderhouden en hij geen beroep wil doen op de steun van zijn ouders. Met een dergelijke argumentatie maakt hij de nood aan internationale bescherming overeenkomstig de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet echter niet aannemelijk. Verzoeker brengt geen enkel concreet element naar voor waaruit blijkt dat hij in tussentijd geen legaal verblijf in de Verenigde Arabische Emiraten kan bekomen in geval van een eventuele terugkeer naar daar.
Daarbij moet ook worden opgemerkt dat verzoeker stelde geen vrees te hebben ten aanzien van de Verenigde Arabische Emiraten en nooit problemen heeft gehad met de autoriteiten (stuk 8, gehoorverslag, p. 10, 12). Wel klaagde hij aan dat Palestijnen worden gediscrimineerd, in de zin dat bijvoorbeeld formaliteiten langer duren in hun geval (stuk 8, gehoorverslag, p. 12). Ook de Raad benadrukt dat het ontzeggen van bepaalde rechten en een discriminerende bejegening op zich geen vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin inhoudt. Om tot de erkenning van de status van vluchteling te leiden moeten het ontzeggen van rechten en de discriminatie van die aard zijn dat zij aanleiding geven tot een toestand die gelijkgeschakeld kan worden met een vrees in vluchtelingenrechtelijke zin. Zulks houdt in dat de gevreesde problemen dermate systematisch en ingrijpend zijn dat fundamentele mensenrechten worden aangetast waardoor het leven in het land van herkomst ondraaglijk wordt. Verzoeker maakte doorheen zijn verklaringen geen gewag van dergelijke problemen, en het spreekt voor zich dat het gegeven dat bepaalde formaliteiten voor Palestijnen langer duren niet kan bestempeld worden als een vorm van discriminatie die verzoekers leven in de Verenigde Arabisch Emiraten ondraaglijk maakt(e).
De voormelde vaststellingen volstaan om te besluiten dat niet kan worden aangenomen dat in deze is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden zoals bepaald in artikel 48/6, tweede lid van de Vreemdelingenwet.