Samenvatting
Het begrip “gezinsleven” in art. 8, lid 1, van het EVRM is een autonoom begrip dat onafhankelijk van het nationaal recht dient te worden geïnterpreteerd. Uit het feit dat verzoekster gehuwd is en blijkens een positief samenwoonstverslag, opgenomen in het administratief dossier, ook op hetzelfde adres samenwoont met haar echtgenoot, kan redelijkerwijze afgeleid worden dat verzoeksters gezinsleven onder het toepassingsgebied van het in art. 8, eerste lid EVRM beschermde recht op gezinsleven valt. Bijgevolg dient het art. 8, tweede lid van het EVRM in ogenschouw te worden genomen. Vooreerst kan niet betwist worden dat het bevel om het grondgebied te verlaten dat getroffen wordt ten aanzien van verzoekster, een inmenging vormt met betrekking tot de uitoefening van het recht op gezinsleven. Een inmenging van het openbaar gezag is bij wet voorzien. In casu streeft de inmenging één van de in art. 8, tweede lid an het EVRM opgesomde doelen na, nl. de bewaring van ’s lands openbare orde. Er dient hierbij echter te worden nagegaan of bij het uitvaardigen van de bestreden beslissing een juist evenwicht werd geëerbiedigd tussen de belangen van verzoeker in het kader van de eerbied voor zijn gezinsleven enerzijds en de belangen van de Belgische Staat in het kader van de bescherming van de openbare orde anderzijds. De Raad acht het treffen van een bevel om het grondgebied te verlaten een disproportionele inbreuk op verzoeksters gezinsleven die niet getuigt van een juist evenwicht tussen verzoekster belang, namelijk de erkenning van haar recht op een gezinsleven en het belang van de Belgische Staat. Het middel van verzoekster is gegrond voor zover het gericht is tegen het bevel om het grondgebied te verlaten.