Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 206.545 - 5-07-2018

Samenvatting

Verweerder werpt in de nota met opmerkingen een exceptie van onontvankelijkheid op, waarbij hij stelt dat huidige bestreden beslissing geen aanvechtbare rechtshandeling betreft. Verweerder betoogt dat de weigeringsbeslissing slechts een uitvoeringsmaatregel is, die geen wijzing aanbrengt aan de rechtstoestand van verzoekster.
 
De Raad merkt op dat artikel 39/1 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de Raad een administratief rechtscollege is dat bevoegd is om kennis te nemen van de beroepen die “worden ingesteld tegen individuele beslissingen genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.” In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de libellering van deze bepaling is overgenomen uit artikel 30, §2, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en dat voor de draagwijdte kan worden verwezen naar deze interpretatie van voornoemde bepaling. Voor het begrip ‘beslissing’ of ‘bestuurshandeling’ kan worden teruggegrepen naar de inhoud die de Raad van State er in zijn contentieux aan geeft, te weten: “een uitvoerbare beslissing, zijnde een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of toestand dan wel zodanige wijziging te beletten” (Parl.St. Kamer, 2005-2006, DOC 51 2476/001, 92).
 
Alleen rechtshandelingen kunnen vatbaar zijn voor een vernietiging of een schorsing. Het beroep waarbij een handeling zonder rechtsgevolgen of een handeling die niet belet dat rechtsgevolgen ontstaan wordt aangevochten, is niet ontvankelijk (J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Ontvankelijkheid, Brugge, die Keure, 1996, nrs. 6-7, p. 13-14). Het annulatieberoep moet gericht zijn tegen een uitvoerbare beslissing, zijnde een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat zij tot stand komen, met andere woorden, waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijzigingen te beletten (J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Ontvankelijkheid, Brugge, die Keure, 1996, nr. 8, p 14).
 
De Raad merkt in deze op dat luidens artikel 74/14, § 1, vierde lid van de Vreemdelingenwet de termijn voor vrijwillig vertrek kan worden verlengd, rekening houdende met “de specifieke omstandigheden eigen aan zijn situatie, zoals de duur van het verblijf, het bestaan van schoolgaande kinderen, het afronden van de organisatie van het vrijwillig vertrek en andere familiale en sociale banden”. Teneinde de termijn voor vrijwillig vertrek te laten verlengen, dient de betrokken vreemdeling een “gemotiveerd verzoek” in te dienen bij de gemachtigde van de staatssecretaris.
 
De thans bestreden beslissing betreft het antwoord van verweerder op het door verzoekster, krachtens artikel 74/14, § 1, vierde lid van de Vreemdelingenwet, geïnitieerde gemotiveerd verzoek tot verlenging van de termijn voor vrijwillig vertrek. De bestreden beslissing betreft noch een loutere uitvoeringsmaatregel, noch een loutere materiële handeling, omdat zij enerzijds een antwoord bevat op een aanvraag tot verlenging van de verwijderingsmaatregel en anderzijds rechtsgevolgen heeft. De bestreden beslissing kan immers de rechtstoestand van verzoekster wijzigen, al was het maar omdat de gedwongen uitvoering, krachtens artikel 74/14, §2, eerste lid van de Vreemdelingenwet, ten gevolge van een verlenging van de termijn niet kan plaatsvinden. Er kan in deze nog worden opgemerkt dat het tijdelijk karakter niet verhindert dat de beslissing, weze het in tijd beperkt, rechtsgevolgen heeft (J. BAERT en G. DEBERSAQUES, Raad van State. Ontvankelijkheid, Brugge, die Keure, 1996, nr. 20, p. 23, met verwijzing naar RvS 25 juni 1991, nrs. 37.312 en 37.313: “Uit niets blijkt dat de wetgever administratieve beslissingen met korte geldingsduur uit de vernietigingscontentieux heeft gesloten.”). Er anders oordelen, zou bovendien de Raad in de onmogelijkheid plaatsen om zijn wettigheidscontrole over de toepassing van de artikel 74/14 van de Vreemdelingenwet uit te oefenen. Dit alles heeft tot gevolg dat de huidige bestreden beslissing wel degelijk een aanvechtbare rechtshandeling uitmaakt, zodat verzoekster op ontvankelijke wijze een schorsings- en annulatieberoep tegen deze beslissing kan instellen bij de Raad.
 
De exceptie dient dan ook te worden verworpen.
 
(…)
 
De Raad kan verzoekster volgen in haar betoog. Artikel 74/14, § 1, vierde lid van de Vreemdelingenwet geeft op algemene wijze aan dat de termijn om het grondgebied te verlaten kan worden verlengd, onder meer in het geval van schoolgaande kinderen. Hierbij wordt niet bepaald dat een dergelijke verlenging enkel kan worden toegestaan in geval de verwijderingsmaatregel is genomen tussen Pasen en het einde van het schooljaar. In deze wijst de Raad erop dat verweerder bij het treffen van de bestreden beslissing ook niet heeft verwezen naar voormelde wetsbepaling, doch zich louter heeft gebaseerd op de omzendbrief van 29 april 2003. Deze omzendbrief bepaald het volgende: “[…] Voor gezinnen met schoolgaande kinderen van minder dan 18 jaar, kan de Dienst Vreemdelingenzaken beslissen dat de uitvoering van een verwijderingsmaatregel, genomen in de periode vanaf het begin van de paasvakantie tot het einde van het schooljaar, opgeschort wordt tot het einde van het schooljaar. […]”. Door aldus te stellen, geeft de omzendbrief aan dat in geval van schoolgaande kinderen enkel kan worden overgegaan tot de opschorting van een verwijderingsmaatregel wanneer die is genomen tussen Pasen en het einde van het schooljaar. De omzendbrief beperkt derhalve de wettelijke mogelijkheden om al dan niet een verlenging van de termijn voor vrijwillig vertrek te verkrijgen. In deze dient de Raad vast te stellen dat omzendbrieven aan administratieve overheden gericht zijn en richtsnoeren bevatten over de interpretatie en de toepassing van de bestaande wetten. Zij hebben geen enkel bindend karakter, ongeacht of zij bekendgemaakt zijn of niet. Omzendbrieven kunnen dan ook geen nieuwe en dwingende rechtsregels creëren, nu deze in beginsel geen verordenend karakter hebben (cf. RvS 8 januari 2009, nr. 189.323).
 
Verzoekster toont derhalve aan dat de bestreden beslissing, die volledig is gebaseerd op een contra legem toepassing van de omzendbrief van 29 april 2003, een schending inhoudt van artikel 74/14, §1 van de Vreemdelingenwet. Het verweer in de nota met opmerkingen doet hieraan geen afbreuk.