Samenvatting
Zowel artikel 3 van de Voogdijwet, als de omzendbrief voorziet dat de DVZ een duurzame oplossing moet zoeken op basis van alle elementen van het dossier van de minderjarige. Wanneer die oplossing bestaat uit het terugsturen naar het herkomstland in het kader van gezinshereniging, moeten er voldoende garanties van opvang en tenlastenneming zijn en moet er rekening gehouden worden met het hogere belang van het kind. Nergens blijkt uit het dossier dat de verwerende partij zich, voorafgaand aan de beslissing, verzekerd heeft over dergelijke garanties. In strijd met artikel 11 van de wet van 24 december 2002 en punt VI, B van de omzendbrief, achtte de verwerende partij het evenmin nodig om rekening te houden met het advies van de voogd. Bijgevolg kan de Raad niet anders dan vast te stellen dat de verwerende partij niet alleen een manifeste appreciatiefout heeft begaan, maar eveneens tekort geschoten is in zijn formele motiveringsplicht en het beginsel van goed bestuur heeft geschonden. Dat laatste principe verplichtte de overheid ertoe het dossier, gezien de minderjarigheid van verzoeker, met extra omzichtigheid te behandelen.