Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 218.265 - 14-03-2019

Samenvatting

Ter terechtzitting van 22 februari 2019, alwaar zij uitdrukkelijk wordt uitgenodigd te reageren op de beschikking van 3 december 2018, voert verzoekende partij J. M. M. aan dat zij ernstige psychologische problemen kent, zoals blijkt uit het medisch attest dat zij indient, en zwaar getraumatiseerd is. Verzoekende partij wijst erop dat zij onlangs bevallen is van een baby en opgevangen wordt door het Rode Kruis samen met haar andere twee kinderen. Zij stelt dat zij in een eigen leefwereld leeft, zonder financiële hulp en haar kindje het resultaat is van een korte seksuele relatie met een als vluchteling erkende Somalische man die tot nu toe het kind niet heeft erkend. Verzoekende partij wijst erop dat zij niet kan terugkeren naar haar land van herkomst gelet op haar medische toestand, zij slachtoffer zal worden van een “refubulatie” en zij een alleenstaande moeder is met drie kleine kinderen.
 
De verwerende partij repliceert dat de situatie van verzoekende partij stresserend kan zijn en wijst er op dat verzoekende partij een derde verzoek om internationale bescherming indient en pas voor het eerst een medisch attest indient. Voorts stelt verwerende partij dat niet duidelijk is in welke mate verzoekende partij medisch wordt opgevolgd.
 
Te dezen wordt niet betwist dat verzoekende partij met psychische problemen kampt, zoals blijkt uit het ter terechtzitting per aanvullende nota bijgebrachte psychologisch attest van 7 juni 2018, waarin naast de psychische problematiek ook gewag wordt gemaakt van fysieke problemen (o.a. maagdarmproblemen).
 
Aldus dient rekening te worden gehouden met en omzichtig te worden omgesprongen met de precaire psychologische alsook de fysieke toestand van verzoekende partij, een alleenstaande moeder van twee jonge kinderen die nog maar zeer recent, eind november 2018, een derde kindje heeft gekregen en die haar land van herkomst, Somalië, reeds vele jaren geleden heeft verlaten. Deze elementen dienen mee in overweging te worden genomen en nopen tot een verder en grondig (her)onderzoek.
 
Bijgevolg dient de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 39/2, § 1, tweede lid, 2° van de
Vreemdelingenwet te worden vernietigd.