Samenvatting
Verzoeker wijst er terecht op dat de bestreden beslissing moet toelaten de redenen te begrijpen op grond waarvan de beslissing is genomen en dat dit eveneens een afdoende motivering in rechte inhoudt. Dit is in casu niet het geval. Samen met verzoeker moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing geen valabele rechtsgrond heeft nu geen enkele nationale wetsbepaling, noch Europese regelgeving met directe werking voorziet dat de gemachtigde de aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie niet wil behandelen of dat de gemachtigde weigert om uitspraak te doen over de aanvraag omwille van het enkele motief dat verzoeker onderhevig is aan een eerder inreisverbod (RvS 9 augustus 2016, nr. 235.598), ook niet wanneer wordt vastgesteld dat geen bijzondere afhankelijkheidsrelatie met het Belgische familielid is aangetoond.
De gemachtigde verwijst naar pertinente rechtspraak van het Hof van Justitie, m.n. naar het arrest van 8 mei 2018, K.A., C-82/16 en de Raad is ertoe gehouden de nationale regelgeving “zoveel mogelijk” conform het unierecht uit te leggen en dus zoveel mogelijk conform dit arrest (HvJ 13 november 1990, Marleasing, C-106/89, pt 8; HvJ 4 juli 2006, Adeneler e.a., C-212/04, pt 108-111 ) (HvJ 5 oktober 2004, Pfeiffer e.a., C 397/01–C 403/01, Jurispr. blz. I 8835, pt 114; 23 april 2009, Angelidaki e.a., C 378/07–C 380/07, Jurispr. blz. I 3071, punten 197 en 198, en 19 januari 2010, Kücükdeveci, C 555/07, Jurispr. blz. I 365, pt 48). Aangaande de termen “zoveel mogelijk” blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat voor dit beginsel van richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht bepaalde beperkingen gelden. Zo kan de verplichting voor de nationale rechter om bij de uitlegging en de toepassing van de relevante bepalingen van zijn interne recht te refereren aan de inhoud van een richtlijn, niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (HvJ 15 april 2008, Impact, C 268/06, Jurispr. blz. I 2483, pt 100, ; HvJ 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, pt 25). De rechter is dus niet verplicht om aan bepalingen van nationaal recht een uitlegging te geven die niet strookt met de bewoordingen ervan (K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, p. 603, nr. 782.) Echter, indien geen met het recht van de Unie strokende uitlegging van een wetsbepaling mogelijk is, moet een nationale bepaling voor zover zij indruist tegen het recht van de Unie, buiten toepassing worden gelaten (HvJ 24 januari 2012, Dominguez, C-282, pt 23).
De Raad kan enkel vaststellen dat er thans geen nationale rechtsgrond is voor de huidige beslissing, die hij conform dit arrest kan uitleggen. Het arrest van 8 mei 2018, K.A., C-82/16 kan op zichzelf geen rechtsgrond vormen voor de huidige bestreden beslissing, noch de artikelen 40bis iuncto 40ter van de Vreemdelingenwet of artikel 52 van het Vreemdelingenbesluit zoals supra uitgelegd. Er is evenmin de situatie van een met het unierecht strijdige bepaling die buiten toepassing kan worden gelaten. Geheel ten overvloede wijst de Raad erop dat de gevolgen van een prejudiciële beslissing niet enkel betrekking hebben op de rechterlijke instanties maar dat “de overheden van de betrokken lidstaat ervoor zorgen dat het nationale recht zo spoedig mogelijk in overeenstemming wordt gebracht met het Unierecht.” (K. LENAERTS en P. VAN NUFFEL, Europees recht, Antwerpen-Cambridge, Intersentia, 2011, p. 657, nr. 860.)
Nu de bestreden beslissing in rechte niet afdoende is gemotiveerd, wordt een schending aangenomen van de formele motiveringsplicht zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.