Samenvatting
Uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat de gezinsband tussen een ouder en zijn minderjarig kind in principe wordt verondersteld (EHRM 28 november 1996, Ahmut/Nederland, § 60; EHRM 2 november 2010, Şerife Yiğit/Turkije (GK), § 94). In beginsel ontstaat vanaf de geboorte tussen een minderjarig kind en zijn ouder een natuurlijke band die gelijkstaat met een gezinsleven. Het is daarbij niet noodzakelijk dat het kind binnen een huwelijk of binnen een andere samenlevingsvorm werd geboren. Om het bestaan van een beschermenswaardig ‘gezinsleven’ vast stellen, is de samenwoning van de ouder met het minderjarig kind niet noodzakelijk; wel moeten factoren aanwezig zijn die maken dat de relatie tussen de betrokken ouder en het minderjarig kind voldoende standvastig is om de facto gezinsbanden te creëren (EHRM 8 januari 2009, Joseph Grant/Verenigd Koninkrijk, § 30). De band tussen een ouder en een minderjarig kind zal slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden als verbroken kunnen worden beschouwd (EHRM 19 februari 1996, Gül/Zwitserland, § 32; EHRM 21 december 2001, Sen/Nederland, § 28). Samenwoning is geen absolute vereiste voor het vaststellen van een gezinsleven tussen ouder en kind (EHRM 21 juli 1988, Berrehab/Nederland, § 21; EHRM 8 januari 2009, nr. 10606/07, Joseph Grant v. Verenigd Koninkrijk, § 30) Het gezinsleven eindigt evenmin indien een kind in de pleegzorg wordt opgenomen (EHRM 27 juni 1996, nr. 17383/90, Johansen v. Noorwegen, § 52).
(…)
Thans betwist verzoekster niet dat zij niet met de referentiepersoon samenwoont. De gemachtigde van de bevoegde minister geeft evenwel in de bestreden beslissing aan dat “(d)e notie "begeleiden" of "zich bij hem voegen", zoals opgenomen in voormelde bepaling, (…) geen samenwoonst hoeft te zijn”.
Gelet op de hoger geciteerde rechtspraak van het EHRM waaruit volgt dat de gezinsband tussen een ouder en zijn minderjarig kind in principe wordt verondersteld en in acht nemend de gezondheidstoestand van zowel verzoekster als van de referentiepersoon komt het de Raad kennelijk onredelijk voor om enkel in rekening te brengen dat “louter enkele ongedateerde foto's (…) geen affectieve band (kunnen) bewijzen”, een “schrijven 'L. V. (…)' dd. 29.06.2016, de instelling waar de referentiepersoon verblijft, waaruit blijkt dat betrokkene op 11.07.2016 een afspraak had om haar dochter te bezoeken” en uit het “schrijven S.-V. (…) vzw dd. 22.01.2018: (…) geen contacten tussen betrokkene en de referentiepersoon (blijkt)” om vervolgens te concluderen dat “(l)outer op basis van de voorgelegde documenten (…) de affectieve band tussen betrokkene en de referentiepersoon onvoldoende bewezen (is).” Uit de bestreden beslissing kan niet worden afgeleid dat de gemachtigde oog heeft gehad voor de bijzondere omstandigheden die deze zaak kenmerken, zijnde enerzijds het verblijf van de referentiepersoon in een centrum voor personen met een mentale beperking en anderzijds het door verzoekster opgelopen cerebrovasculair accident, zoals verzoekster terecht opmerkt en dit in het licht van de rechtspraak van het EHRM waaruit blijkt dat de gezinsband tussen een ouder en zijn minderjarig kind in principe wordt verondersteld (EHRM 28 november 1996, Ahmut/Nederland, § 60; EHRM 2 november 2010, Şerife Yiğit/Turkije (GK), § 94). Verzoekster had nochtans in haar aanvraag gewezen op de gezondheidstoestand van haar dochter en van zichzelf. Er kan moeilijk worden betwist dat de gezondheidstoestand van verzoekster en van de referentiepersoon de bewijslast in casu bemoeilijkt.
Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de gemachtigde niet in twijfel trekt dat verzoekster en de referentiepersoon op de voorgelegde foto’s worden afgebeeld en dat daaruit ontmoetingen blijken. Gelet op de hoger geciteerde rechtspraak van het EHRM waaruit volgt dat de gezinsband tussen een ouder en zijn minderjarig kind in principe wordt verondersteld komt het de Raad kennelijk onredelijk voor om twee duidelijk recente foto’s aan de kant te schuiven louter omdat ze ongedateerd zijn. Het gegeven dat de foto’s ongedateerd zijn doet geen afbreuk aan het gegeven dat verzoekster en de referentiepersoon op deze foto’s zijn afgebeeld en dat daaruit blijkt dat zij elkaar ontmoeten en een band hebben. Uit de bestreden beslissing blijkt niet waarom ongedateerde foto’s geen bewijs van een affectieve band kunnen uitmaken, de gemachtigde poneert dit zonder meer. Op dit punt wordt de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd. Bovendien lijkt de gemachtigde uit het oog te verliezen dat verzoekster niet “louter” enkele ongedateerde foto’s heeft voorgelegd om de band met haar kind te bewijzen, maar ook een bewijs van afspraak voor een bezoek van de moeder aan de dochter.
In dit verband wordt het volgende overwogen: “schrijven 'L. V. (…)' dd. 29.06.2016, de instelling waar de referentiepersoon verblijft, waaruit blijkt dat betrokkene op 11.07.2016 een afspraak had om haar dochter te bezoeken.” Ook in dit verband wordt vervolgens enkel gemotiveerd dat “Louter op basis van de voorgelegde documenten is de affectieve band tussen betrokkene en de referentiepersoon onvoldoende bewezen”.
Gelet op de hoger toegelichte gebrekkige motivering over de voorgelegde foto’s in het licht van de hoger geciteerde rechtspraak van het EHRM, de niet betwiste afspraak tot bezoek tussen verzoekster en de referentiepersoon en gelet op de omstandigheid dat uit de bestreden beslissing niet kan worden afgeleid dat de gemachtigde oog heeft gehad voor de gezondheidstoestand van verzoekster en van de referentiepersoon en de mogelijke implicaties hiervan op de bewijsvoering, komt het de Raad kennelijk onredelijk voor om “(l)outer op basis van de voorgelegde documenten” te concluderen dat “de affectieve band tussen betrokkene en de referentiepersoon onvoldoende bewezen (zijn).”
Uit het voorgaande blijkt dat verzoekster aannemelijk maakt dat de gemachtigde van de bevoegde minister op kennelijk onredelijke wijze tot de bestreden beslissing is gekomen.