Samenvatting
Artikel 44bis, § 3, 1° van de Vreemdelingenwet, waarop verzoeker zich beroept, heeft dus enkel betrekking op burgers van de Unie en het staat niet ter discussie dat verzoeker – die de Marokkaanse nationaliteit heeft – geen burger van de Unie is. Waar verzoeker opmerkt dat artikel 28, derde lid van richtlijn 2004/38/EG, dat door artikel 44bis van de Vreemdelingenwet werd omgezet in de Belgische regelgeving, spreekt van “burgers van de Unie of hun familieleden”, wijst de Raad op de rectificatie van deze bepaling van de richtlijn die op 6 februari 2019 is verschenen in het Publicatieblad van de Europese Unie (Pb.L. 6 februari 2019, afl. 34, 10). Hierbij werd de volgende rechtzetting doorgevoerd:
“Bladzijde 115, artikel 28, lid 3:
in plaats van:
„3. Behalve om dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaten gedefinieerd, kan ten aanzien van burgers van de Unie of hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, geen besluit tot verwijdering worden genomen, indien zij:”,
lezen:
„3. Behalve om dwingende redenen van openbare veiligheid zoals door de lidstaten gedefinieerd, kan ten aanzien van burgers van de Unie geen besluit tot verwijdering worden genomen, indien zij:”. (eigen onderlijning)
Hiermee werd de Nederlandstalige versie van deze bepaling van richtlijn 2004/38/EG in lijn gebracht met de andere taalversies van deze bepaling in de richtlijn, waarin duidelijk is voorzien dat de verhoogde bescherming van “dwingende redenen van openbare veiligheid” enkel geldt voor de burgers van de Unie, en dus niet voor hun familieleden.
Verzoekers betoog is schijnbaar gebaseerd op de oude tekst van artikel 28, derde lid van de richtlijn 2004/38/EG waarin een vertaalfout was geslopen die ondertussen is rechtgezet. Hij kan, gezien voorgaande vaststelling, niet worden gevolgd in zijn betoog dat artikel 44bis, § 3, 1° van de Vreemdelingenwet een incorrecte omzetting is van artikel 28, derde lid van de richtlijn 2004/38/EG en deze nationale wetsbepaling derhalve buiten beschouwing moet worden gelaten.
Verweerder kon dan ook zonder schending van de richtlijn 2004/38/EG vaststellen dat verzoeker, als familielid van een Unieburger, onder de toepassing viel van artikel 44bis, § 2, van de Vreemdelingenwet en het verblijf op die rechtsgrond beëindigen om “ernstige” redenen van openbare orde.
Aangezien verzoeker niet aantoont dat artikel 28, derde lid van de richtlijn 2004/38/EG niet correct of niet op toereikende wijze is omgezet, kan hij niet op ontvankelijke wijze de schending van deze bepaling van de richtlijn aanvoeren (HvJ 4 december 1997, C-253/96 tot en met C-258/96, Kampelmann, punt 42; zie tevens HvJ 3 december 1992, C-140/91, C-141/91, C-278/91 en C-279/91, Suffritti, punt 13; RvS 2 april 2003, nr. 117.877).