Samenvatting
In voorliggende zaak wordt niet betwist dat de verzoekende partij onder meer bewijzen van betalingen van werkloosheidsuitkering van de referentiepersoon voorlegde voor de periode van januari tot en met juni 2018.
De verwerende partij oordeelt dat deze werkloosheidsuitkering niet in aanmerking kan worden genomen bij het beoordelen van de bestaansmiddelen van de referentiepersoon omdat niet wordt aangetoond dat deze actief op zoek is naar werk of dat hij van deze voorwaarde is vrijgesteld. Dit motief is determinerend voor het weigeren van het verblijf van de verzoekende partij, nu de verwerende partij oordeelde dat niet voldaan is aan de bestaansmiddelenvoorwaarde opgenomen in artikel 40ter van de vreemdelingenwet, reden waarom de aanvraag wordt geweigerd.
De verzoekende partij betwist niet dat geen bewijzen werden voorgelegd dat de referentiepersoon actief werk zoekt, maar meent integendeel dat de referentiepersoon niet dient te voldoen aan de voorwaarde dat hij actief werk zoekt gelet op zijn leeftijd. De verwerende partij was op de hoogte dat de referentiepersoon op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot gezinshereniging bijna 64 jaar oud is en dus ruim ouder is dan de leeftijd van 60 jaar die wordt voorzien in het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, dit is de leeftijd waarop een werkloze wordt vrijgesteld van de voorwaarde dat zij actief moet zoeken naar werk. De verzoekende partij voert aan dat de werkloosheidsuitkering aldus foutief niet in aanmerking werd genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen van haar echtgenoot.
De verzoekende partij verwijst hierbij naar het arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 van het Grondwettelijk Hof, waarin uitspraak wordt gedaan over de vrijstelling op de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt, en naar de artikelen 56, §3 en 58, §1, eerste lid van genoemd koninklijk besluit van 25 november 1991.
(…)
Aldus oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de gezinshereniger die een werkloosheidsuitkering geniet niet moet aantonen dat hij actief op zoek is naar werk enkel in zoverre hij is vrijgesteld van de verplichting om beschikbaar te zijn op de arbeidsmarkt. De eveneens door de verzoekende partij in dit verband geciteerde passage uit dit arrest betreffende het standpunt van de ministerraad heeft betrekking op de werklozen die ervan zijn vrijgesteld actief te zijn op de arbeidsmarkt.
De bepalingen van hoger genoemd koninklijk besluit in samenlezing met het arrest van het Grondwettelijk Hof laten toe te concluderen dat de werkloze die ouder is dan 60 jaar, zoals de referentiepersoon op het ogenblik van het indienen van de aanvraag gezinshereniging, slechts onderworpen is aan een aangepaste beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt, waarbij hij of zij is vrijgesteld van de verplichting actief te zoeken naar werk. Een lezing van artikel 40ter van de vreemdelingenwet waarbij de verwerende partij de werkloosheidsuitkering van een referentiepersoon ouder dan 60 jaar niet in aanmerking neemt bij de beoordeling van diens bestaansmiddelen omdat deze niet aantoont actief op zoek te zijn naar werk is in strijd met genoemd arrest van het Grondwettelijk Hof.