Samenvatting
De verweerder betwist op geen enkel ogenblik dat er op de datum van de bestreden beslissing, in het kader van het op 12 september 2018 ingediende verzoek om internationale bescherming, als dusdanig geen beslissing voorlag waarbij aan de verzoeker het verblijf in het Rijk wordt geweigerd en hem wordt opgedragen om zich aan te melden bij de Franse autoriteiten. Ter terechtzitting bevestigt de advocaat van de verweerder overigens dat het bestuur op dat ogenblik nog steeds geen beslissing overeenkomstig de bijlage 26quater had getroffen. Zoals de verzoeker pertinent stelt, beschikte de verweerder aldus nog steeds over de mogelijkheid om de soevereiniteitsclausule toe te passen en te beslissen dat België alsnog verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Hoewel de Franse autoriteiten op 28 januari 2019 hebben ingestemd met de overname van de verzoeker en zijn zoon, dient dan ook te worden vastgesteld dat de bevoegde diensten van de verweerder op het ogenblik van de bestreden beslissing nog geen besluit hadden getroffen waarbij effectief wordt beslist dat niet België, maar wel Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming en waarbij wordt beslist om de verzoeker, met toepassing van artikel 51/5, §4, eerste lid, van de vreemdelingenwet, over te dragen aan de Franse autoriteiten. Het was dan ook niet aan de gemachtigde om hierop vooruit te lopen en om reeds een voorafname te doen van een dergelijke beslissing in het kader van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet.
Gelet op hetgeen voorafgaat dient dan ook te worden vastgesteld dat de voorliggende gegevens niet correct werden beoordeeld waar de gemachtigde de situatie in Gaza, zoals ingeroepen in de voorliggende verblijfsaanvraag op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, niet als een buitengewone omstandigheid in aanmerking neemt om reden dat de verzoeker zich naar Frankrijk dient te begeven om er aldaar het verzoek om internationale bescherming verder te zetten.
Een schending van de materiële motiveringsplicht is derhalve aangetoond.
Het verweer in de nota met opmerking doet aan deze vaststelling geen afbreuk. De Raad merkt dienaangaande op dat de verweerder zelf bevestigt dat de voorliggende aanvraag om machtiging tot verblijf (cf. artikel 9bis van de vreemdelingenwet) dient te worden onderscheiden van het verzoek om internationale bescherming. De thans bestreden beslissing houdt, blijkens de juridische en feitelijke motieven ervan, inderdaad de enkele onontvankelijkheid in van de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet en vormt geenszins een overdrachtsbesluit, zoals bedoeld in artikel 51/5, §4, eerste lid, van de vreemdelingenwet juncto artikel 71/3, §3, eerste lid, van het vreemdelingenbesluit. Waar de verweerder stelt dat de verzoeker niet heeft aangetoond dat de Belgische instanties toepassing dienden te maken van het soevereiniteitsbeginsel, merkt de Raad op dat de verweerder, in het kader van de bepaling van de verantwoordelijke lidstaat, enkel over de mogelijkheid beschikt om de soevereiniteitsclausule toe te passen. Hij is hiertoe geenszins verplicht. Zolang de verweerder echter geen beslissing tot overdracht heeft getroffen, kan hij gebruik maken van deze mogelijkheid. Van de gemachtigde kon dan ook worden verwacht dat hij zich, in het kader van zijn beoordeling van de buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 9bis van de vreemdelingenwet, zou onthouden van een uitspraak inzake de verantwoordelijk lidstaat zolang de bevoegde diensten hierover nog geen beslissing hebben genomen. Hoe dan ook dient te worden benadrukt dat de verplichting om naar Frankrijk te gaan om aldaar het verzoek om internationale bescherming te laten behandelen, pas vaststaat wanneer de verweerder een beslissing neemt tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 26quater). De gemachtigde kon hierop niet vooruitlopen door, zonder dat een dergelijke beslissing voorlag, te argumenteren dat de verzoeker zich voor het verderzetten van zijn asielaanvraag dient de richten tot de bevoegde Franse autoriteiten. De vraag of de verzoeker al dan niet een begin van bewijs levert dat de soevereiniteitsclausule in zijn geval moet toegepast worden, is in dit kader niet relevant.