Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 227.796 - 23-10-2019

Samenvatting

Verzoeker betoogt dat deze motivering voorbijgaat aan de specifieke situatie waarin hij en zijn zoon zich bevinden. Hij wijst erop dat zijn zoon geplaatst werd in een instelling voor bijzondere jeugdzorg omdat de moeder het contact heeft verbroken. Gelet op verzoekers verblijf in de gevangenis, is het samenleven tussen hen ook onmogelijk. Verzoeker wijst er ook op dat het feit dat zijn zoon enkel de naam van de moeder draagt, niet betekent dat hij de vader niet zou zijn of er geen gezinsband mee zou hebben. Hij zou het kind immers hebben erkend.
 
Uit de aanvullende stukken bij het verzoekschrift blijkt dat de jeugdbegeleiders van zijn zoon verzoeker inderdaad beschouwen als de vader. De begeleiders bevestigen dat verzoeker dagelijks met zijn zoon belt en dat zijn zoon hem minstens een keer per maand bezoekt in de gevangenis. Verzoeker brengt aldus een begin van bewijs aan van een gezinsleven met zijn zoon.
 
Het motief dat verzoekers zoon hem kan bezoeken in Marokko, houdt geen rekening met het feit dat de zoon geplaatst werd in een instelling. Ook het motief dat verzoeker en zijn zoon dienden te weten dat het verblijf precair was, is onjuist, vermits verzoeker in het verleden wel degelijk, tot op het ogenblik van zijn ambtshalve schrapping, in het bezit was van een geldige F-kaart. In uitoefening van hun prerogatief inzake migratiecontrole en het bewaken van de openbare orde, hebben de Verdragsluitende staten de bevoegdheid om een vreemdeling die veroordeeld is omwille van misdrijven uit te wijzen. Deze beslissing moet, indien het een inmenging uitmaakt op het recht op eerbiediging van het gezins-/privéleven, bij wet voorzien zijn en noodzakelijk is in een democratische samenleving, dit is gerechtvaardigd door een dwingende sociale behoefte en proportioneel met het nagestreefde legitieme doel.
 
(…)
 
Hoewel daarover in de bestreden beslissing twijfels worden geopperd, blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat verzoeker steeds heeft verklaard een zoon te hebben met wie hij contacten onderhoudt. De Raad wijst er ook op dat de band tussen een kind en zijn ouder ontstaat uit het feit van de geboorte zelf. De band tussen een ouder en een minderjarig kind zal slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden als verbroken kunnen worden beschouwd (EHRM 19 februari 1996, Gül/Zwitserland, § 32; EHRM 21 december 2001, Sen/Nederland, § 28). De natuurlijke gezinsband tussen ouder en kind wordt niet beëindigd door het feit dat de ouders (echt)scheiden met als gevolg dat het kind niet langer samenleeft met één van zijn ouders (EHRM 11 juli 2000, Ciliz/Nederland, § 59). Het gezinsleven eindigt evenmin indien een kind in de pleegzorg wordt opgenomen (EHRM 27 juni 1996, nr. 17383/90, Johansen v. Noorwegen, par. 52) Uit de door verzoeker neergelegde stukken blijkt bovendien dat verzoeker ook door de begeleiders van de jeugdinstelling waar zijn zoon verblijft wordt beschouwd als de vader. Verzoeker maakt ook aannemelijk dat hij als enige contact houdt met zijn zoon en dat dit contact van groot belang is voor het welzijn van zijn zoon. Dit wordt ook geattesteerd door de medewerkers van de jeugdinstelling. De Raad acht het geenszins vanzelfsprekend dat verzoekers twaalfjarige zoon, die in een instelling werd geplaatst, hem zomaar zal kunnen bezoeken in Marokko. Daarnaast wordt ook geen rekening gehouden met het feit dat de aanwezigheid van verzoeker en de regelmatige contacten met zijn zoon van groot belang zijn voor het welzijn van het kind. Uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat aan deze elementen werd voorbijgegaan.