Samenvatting
De verzoekende partij heeft in haar aankomstverklaring van 25 september 2018 verklaard dat zij op 6 september 2018 België is binnengekomen. Uit het voorgaande blijkt aldus dat zij zeven overschrijvingen heeft neergelegd, die werden uitgevoerd in de acht maanden vooraleer zij naar België is vertrokken. Het totaalbedrag bedraagt 751,71 euro, wat neerkomt op een gemiddelde van 93,96 euro per maand, verdeeld over acht maanden. Dit is meer dan viermaal het bedrag dat de verwerende partij hanteert als gemiddelde over een periode van 2009-2018, namelijk 22,07 euro per maand. De Raad beklemtoont dat de voorwaarde opgenomen in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 3° van de Vreemdelingenwet moet worden begrepen als dat het “ten laste zijn” inhoudt dat de verzoekende partij ten laste is van de referentiepersoon in het land van herkomst in de periode voorafgaand aan haar komst naar België (eigen onderlijning). Het is kennelijk onredelijk om in casu zonder enige motivering hetzelfde gewicht te geven aan de overschrijvingen 2009, 2010 en 2011 als aan de zeven overschrijvingen die betrekking hebben op de periode voorafgaand aan de komst van de verzoekende partij naar België. Ten eerste omdat de verwerende partij nooit aangegeven heeft voor welke periode bewijsstukken diende neergelegd te worden. Op 10 oktober 2018 werd enkel aan de verzoekende partij gevraagd om volgende documenten over te leggen: “gereg. Huurovereenkomst of eigendomsakte, bewijs van ten laste (of bewijs betrokkene deel van gezin land herkomst), bewijs ziekteverzekering.” Ten tweede omdat de verwerende partij over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt om te bepalen of een meerderjarig kind al dan niet te laste is van zijn Belgische ouder. De motiveringsplicht vereist dan dat de verwerende partij op afdoende wijze verduidelijkt hoe zij deze appreciatiebevoegdheid aanwendt en waarom op basis van de zeven overschrijvingen voorafgaand aan de komst van de verzoekende partij naar België niet kan worden aangenomen waarom de verzoekende partij niet ten laste van de referentiepersoon is. Indien de verwerende partij van mening was dat er onvoldoende documenten neergelegd werden of dat ze zicht wou op een ruimere referentieperiode had ze dit moeten aangegeven.