Samenvatting
Verzoeker werpt op dat de vervaldag van de termijn van drie maanden uit artikel 52, § 2 van het vreemdelingenbesluit in de vervaltermijn is inbegrepen. Verzoeker stipt aan dat de vervaldag, in deze zaak viel op 20 juli 2019, dit was een zaterdag waardoor de vervaldag volgens verzoeker dient te worden verplaatst naar de eerstvolgende werkdag, dit is 22 juli 2019. Verzoeker is dan ook de overtuiging toegedaan dat de stukken die hij op 22 juli 2019 overmaakte, tijdig aan de stad Antwerpen werden overgemaakt.
Verzoeker kan niet worden bijgetreden. Uit lezing van artikel 52, § 2 van het vreemdelingenbesluit blijkt niet dat de daarin vermelde termijn dient te worden verlengd wanneer de laatste dag valt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag. De verwerende partij kan worden gevolgd waar zij aanvoert dat het indienen van de vereiste stukken overeenkomstig deze bepaling, geen proceshandeling is. Deze verlenging van de termijn is evenmin een algemeen rechtsbeginsel (RvS 24 november 1994, nr. 50.365; RvS 30 november 2006 nr. 165.316).
Verzoeker toont niet aan dat de gemachtigde van de bevoegde burgemeester op onzorgvuldig wijze vaststelde dat hij “niet binnen de gestelde termijn aangetoond (heeft) dat hij/ zij zich in de voorwaarden bevindt om te genieten van het recht op verblijf van meer dan 3 maanden als familielid van een burger van de Unie: heeft de gevraagde documenten niet voorgelegd, namelijk bewijs ziektekostenverzekering geldig in België voor Belg en familie, attest niet ten laste OCMW voor aanvrager en referentiepersoon.”
Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat er in casu werd uitgegaan van een foutieve feitenvinding, zodat de schending van de zorgvuldigheidsplicht niet kan worden aangenomen.
Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het licht van de aangevoerde schending van artikel 52 van het vreemdelingenbesluit wordt niet aangetoond.