Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23.153 - 18-02-2009

Samenvatting

De mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM werd door verzoekster zowel ter onderbouwing van de ontvankelijkheid als ter rechtvaardiging van de gegrondheid van haar aanvraag om machtiging tot verblijf aangebracht. Er dient te worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt gesteld dat de ingeroepen buitengewone omstandig- heden werden aanvaard. Verweerder heeft bijgevolg geoordeeld dat er een schending van artikel 3 van het EVRM aangetoond was. Het is dan ook kennelijk onredelijk dat verweerder, bij de beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag om machtiging tot verblijf, stelt dat verzoekster zich niet kan beroepen op een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM daar zij geen begin van bewijs aanbrengt om haar beweringen te staven. De materiële motiveringsplicht werd geschonden.