Samenvatting
Op 30 september 2019 legt de verwerende partij een inreisverbod van drie jaar op. Drie dagen later, op 3 oktober 2019 treft de verwerende partij een beslissing tot het opleggen van een inreisverbod van acht jaar. Door het treffen van de bestreden beslissing is het eerdere inreisverbod van drie jaar impliciet doch zeker ingetrokken. Wanneer de overheid, zonder daartoe gedwongen te zijn, op grond van een nieuw onderzoek een nieuwe beslissing neemt, moet zij worden geacht haar eerste beslissing impliciet te hebben ingetrokken en te hebben vervangen door die nieuwe beslissing, die een nieuwe uiting van haar wil uitmaakt (cf. RvS 25 juni 2009, nr. 194.637). Het staat de verwerende partij vrij om, ter gelegenheid van het treffen van een nieuwe beslissing tot verwijdering, een nieuw inreisverbod op te leggen “waarin alle strafrechtelijke inbreuken van verzoeker in kaart worden gebracht”,” “waardoor de wettelijke grondslag van de bestreden beslissing kon verlegd worden naar artikel 74/11, §1, vierde lid van de Vreemdelingenwet”, doch het eerdere inreisverbod van drie jaar kan niet blijven bestaan naast het nieuwe inreisverbod. Van verzoeker kan niet worden verwacht dat als hij het land vrijwillig of gedwongen verlaat, hij tegelijkertijd drie jaar en acht jaar dient weg te blijven van het Schengengrond-gebied. De verwerende partij stelt voorts zelf in haar nota dat de inreisverboden niet gecumuleerd kunnen worden: “Het is dus niet zo dat er de facto een inreisverbod van 11 jaar zou gelden (bijvoorbeeld 3 jaar + 8 jaar)”. De Raad ziet dan ook niet in hoe ze naast elkaar kunnen bestaan, ook al hebben ze een verschillende feitelijke en wettelijke grondslag alsook verschillende duurtijden. De verwerende partij kan dan ook niet worden gevolgd wanneer ze in haar nota opwerpt: “De verwerende partij heeft de eer om vooreerst te duiden dat het inreisverbod van 30.09.2019 (duur van 3 jaar) en het inreisverbod van 03.10.2019 (duur van 8 jaar) naast elkaar bestaan, en dus ingaan op hetzelfde ogenblik, zonder dat deze gecumuleerd worden.”
De Raad kan het dan ook niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig of foutief achten dat de verwerende partij, ondanks het bestaan van een eerder inreisverbod van drie jaar, een nieuw inreisverbod van acht jaar oplegt, dit door – in tegenstelling tot bij het eerdere inreisverbod – alle strafrechtelijke inbreuken van verzoeker in kaart te brengen. Het eerder opgelegde inreisverbod van drie jaar dient dan wel, zoals gezegd, te worden beschouwd als zijnde impliciet ingetrokken. Ter terechtzitting gedraagt de verwerende partij zich op dit punt naar de wijsheid van de Raad, nadat ze werd gewezen op de inhoud van haar nota, zoals weergegeven in punt 3.7.
Tweede punt van kritiek van verzoeker is dat de verwerende partij “op grond van exact dezelfde feiten” een inreisverbod van acht jaar oplegt, daar waar ze eerder een inreisverbod van drie jaar heeft opgelegd. Verzoeker benadrukt dat hij na het inreisverbod van drie jaar geen nieuwe feiten begaan heeft.
De verwerende partij stelt in haar nota: “Niet alleen wordt er in thans bestreden beslissing verwezen naar de feiten waarvoor verzoeker op 17.01.2018 door de correctionele rechtbank van Brugge werd veroordeeld tot een definitieve gevangenisstraf van 3 maanden, maar bijkomend wordt er thans ook gemotiveerd over de feiten waarvoor verzoeker op 22.12.2005 door de correctionele rechtbank werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar, met name valsheid in geschriften en oplichting.”
In het thans bestreden inreisverbod wordt verwezen naar twee correctionele veroordelingen, één van 22 december 2005 en één van 17 januari 2018. Hiernaar werd niet verwezen in het vorige inreisverbod van drie jaar. Het betreft weliswaar feiten die dateren van voor het opleggen van het eerste inreisverbod van drie jaar, maar ze werden hierin niet vermeld en dus kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn betoog dat het thans bestreden inreisverbod op grond van exact dezelfde feiten wordt opgelegd als het eerder inreisverbod. Zoals reeds gezegd staat het de verwerende partij om “alle strafrechtelijke inbreuken van verzoeker in kaart [te brengen],” “waardoor de wettelijke grondslag van de bestreden beslissing kon verlegd worden naar artikel 74/11, §1, vierde lid van de Vreemdelingenwet”. Het eerdere inreisverbod van drie jaar dient dan wel, zoals gezegd, te worden beschouwd als zijnde impliciet ingetrokken.