Samenvatting
Artikel 1, §1, 8°, van de vreemdelingenwet definieert het inreisverbod als volgt:
“8° inreisverbod : de beslissing die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering en waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Rijk of het grondgebied van alle lidstaten, met inbegrip van het grondgebied van het Rijk, voor een bepaalde termijn verboden wordt;”
Zoals de verzoeker terecht opmerkt, heeft de Belgische wetgever aldus voorzien in twee soorten inreisverboden:
- Een inreisverbod met nationale dimensie (i.e. de beslissing die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering en waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Rijk voor een bepaalde termijn verboden wordt);
- Een inreisverbod met Europese dimensie (i.e. de beslissing die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering en waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Rijk of het grondgebied van alle lidstaten, met inbegrip van het grondgebied van het Rijk, voor een bepaalde termijn verboden wordt).
In de bestreden akte heeft de gemachtigde gesteld dat aan de verzoeker een inreisverbod van acht jaar wordt opgelegd “voor het grondgebied van België, evenals het grondgebied van de staten die het Schengenacquis ten volle toepassen, tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven”.
Het onderschikkend voegwoord “tenzij” wordt gevolgd een voorwaardelijke bijzin en geeft aan dat de inhoud van de hoofdzin alleen dan juist is, als de voorwaarde, die achter “tenzij” wordt genoemd, niet aanwezig is. Synoniemen voor “tenzij” zijn “behalve als”, “maar niet als” en “behalve indien”. Bijgevolg is het duidelijk dat het aan de verzoeker opgelegde inreisverbod in elk geval een inreisverbod met nationale dimensie (aangeduid als een inreisverbod “voor het grondgebied van België”) is, en dat het slechts een inreisverbod met Europese dimensie (aangeduid als een inreisverbod “het grondgebied van de staten die het Schengenacquis ten volle toepassen”) betreft indien de verzoeker niet beschikt over de documenten die vereist zijn om zich naar een Schengenlidstaat te begeven.
Artikel 1, §1, 8°, van de vreemdelingenwet voorziet op zich echter niet in dit soort van hybride inreisverbod dat twee mogelijke draagwijdtes heeft naargelang al dan niet is voldaan aan de voorwaarde dat de verzoeker geldig kan inreizen in een andere Schengenlidstaat. De verzoeker kan dan ook tot op zekere hoogte worden gevolgd in zijn algemene kritiek terzake. In casu dient echter te worden vastgesteld dat de gemachtigde, gelet de motieven van de beslissing tot verwijdering van 16 januari 2020 (bijlage 13septies) waarmee het thans bestreden inreisverbod gepaard gaat en waarnaar in de bestreden akte uitdrukkelijk wordt verwezen, zelf heeft vastgesteld dat de verzoeker beschikt over de documenten die vereist zijn om zich naar een Schengenlidstaat te begeven. In deze bijlage 13septies wordt immers uitdrukkelijk gesteld dat de verzoeker in het bezit is van een geldig Marokkaans paspoort, “alsook (van) een geldige verblijfskaart voor Spanje (geldig tot 05.08.2020)”. Het is dan ook van meet af aan voldoende duidelijk dat voldaan is aan de voorwaarde waaronder het opgelegde inreisverbod geen Europese dimensie, doch slechts een nationale dimensie heeft.
Dat het bestreden inreisverbod geen Europees inreisverbod betreft, wordt mede ondersteund door de stukken van het administratief dossier. Uit deze stukken blijkt immers niet dat de verzoeker, overeenkomstig de EU-verordening 2018/1861 van 28 november 2018 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en tot wijziging en intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006, zou zijn gesignaleerd voor een verbod van toegang op het Schengengrondgebied. Bovendien werd aan de verzoeker reeds in het verleden een inreisverbod opgelegd. In dit inreisverbod (bijlage 13sexies) van 29 januari 2014 werd exact dezelfde zinsnede “voor het grondgebied van België, evenals het grondgebied van de staten die het Schengenacquis ten volle toepassen(2), tenzij hij beschikt over de documenten die vereist zijn om er zich naar toe te begeven” opgenomen als die welke de verzoeker thans viseert. De gemachtigde heeft toen in een apart document uitdrukkelijk gespecifieerd dat de bijlage 13sexies enkel geldt voor België aangezien de verzoeker een geldige Spaanse verblijfsvergunning heeft. Uit niets blijkt dat de gemachtigde, die op 16 januari 2020 opnieuw heeft vastgesteld dat de verzoeker over een geldige Spaanse verblijfskaart beschikt, thans op dit punt een ander houding zou hebben aangenomen.
Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het thans betreden inreisverbod enkel een verbod op toegang tot en op verblijf op het Belgische grondgebied behelst. Het gegeven dat in de bestreden akte een hybride formulering bevat, doet hieraan geen afbreuk. Aangezien de draagwijdte van het thans voorliggende inreisverbod voldoende duidelijk is, kan de verzoeker geen concreet belang doen gelden bij zijn kritiek dat het voorwaardelijk opleggen van een inreisverbod met Europese dimensie geen wettelijke grondslag vindt in artikel 1, §1, 8°, van de vreemdelingenwet. In de mate dat de verzoeker nog voorhoudt dat het Unierecht evenmin voorziet in een dergelijk voorwaardelijk inreisverbod, merkt de Raad op dat de verzoeker niet concreet aannemelijk maakt dat het Unierecht, in de thans voorliggende situatie, niet voorziet in de mogelijkheid om een inreisverbod met nationale dimensie op te leggen.