Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 238.870 - 23-07-2020

Samenvatting

De verzoekende partij heeft de overtuiging dat de corona-epidemie een buitengewone omstandigheid uitmaakt die haar verhindert om een verblijfsaanvraag in haar land van herkomst in te dienen en is van mening dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld door geen rekening te houden met de op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing heersende pandemie en de daaropvolgende van overheidswege genomen maatregelen.
 
De Raad wijst erop, zoals uiteengezet in de bespreking van het eerste middel, dat de aanvrager de plicht heeft om klaar en duidelijk te vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland in te dienen. Het kan de verwerende partij niet ten kwade worden geduid geen rekening te hebben gehouden met en niet te hebben gemotiveerd, in haar beoordeling over de toe te passen procedure en in de beoordeling of er al dan niet buitengewone omstandigheden aanwezig zijn, over een omstandigheid, in casu de corona-epidemie, indien de verzoekende partij dit element niet had aangehaald als buitengewone omstandigheid waarom zij haar aanvraag niet kan indienen in het herkomstland. De verzoekende partij ging ook, voor het nemen van de bestreden beslissing, niet over tot een actualisatie van haar aanvraag. Een onzorgvuldigheid in hoofde van de verwerende partij wordt dan ook niet sterk gemaakt. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij lijkt voor te houden, komt het de verwerende partij niet toe om zelf buitengewone omstandigheden op te werpen. De Raad wijst er nog op dat in de bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd dat er geen buitengewone omstandigheden zijn voor de verzoekende partij, doch wel dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft aangetoond. De verzoekende partij toont geenszins aan dat de motivering van de bestreden beslissing feitelijk niet correct is. Niets belet de verzoekende partij om alsnog een aanvraag in te dienen als zij van oordeel mocht zijn dat de corona-epidemie een buitengewone omstandigheid uitmaakt in de zin van de artikelen 9bis, §1, eerste lid en 12bis, §1, tweede lid, 3° van de Vreemdelingenwet.
 
De verzoekende partij wijst er overigens op dat zij, gelet op de geldende overheidsmaatregelen, het Belgisch grondgebied niet of praktisch onmogelijk kan verlaten. Zij betoogt dat van haar onmogelijk verwacht kan worden om met het risico van de pandemie zich aan te bieden om terug te keren naar Azerbeidzjan. Het zou volgens de verzoekende partij een risico inhouden voor haar gezondheid en de volksgezondheid. Zij verklaart dat zij een risico zou lopen op overlijden of permanente longschade, hetgeen volgens haar een schending zou uitmaken van artikel 3 van het EVRM. In haar betoog gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat de bestreden beslissing geen beslissing tot verwijdering inhoudt. Het betreft enkel een beslissing waarbij haar ingevolge een aanvraag het verblijf wordt geweigerd. De bestreden beslissing legt geenszins een terugkeerverplichting op. Daar waar de verzoekende partij middels de bestreden beslissing aldus niet verplicht wordt om het Belgisch grondgebied te verlaten, is haar betoog over de daarbij horende risico’s irrelevant, minstens louter hypothetisch en staat het los van de bestreden beslissing.