Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 239.574 - 11-08-2020

Samenvatting

Waar verzoeker verwijst naar de bepalingen in de UNHCR Background Note on the Application of Exclusion Clauses en aanvoert dat hierin wordt gesteld dat de uitsluitingsclausules enkel op minderjarigen toegepast kunnen worden indien ze de leeftijd van criminele aansprakelijkheid bereikt hebben en de mentale capaciteiten (mens rea) niet ontbreken om verantwoordelijk te worden geacht voor de misdrijven, wijst de Raad erop dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van de bestreden beslissing terdege rekening heeft gehouden met deze richtsnoeren van UNHCR, waaruit echter geenszins blijkt dat het UNHCR a priori de uitsluiting verbiedt van personen die minderjarig waren op het moment van de gepleegde feiten. Wel benadrukt UNHCR dat er in deze gevallen met grote omzichtigheid gehandeld moet worden, dat wanneer deze is vastgelegd in het recht van het opvangland, de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid bepalend is en enkel personen die op het ogenblik van de feiten deze minimumleeftijd bereikt hadden uitgesloten kunnen worden, en dat in dergelijke gevallen, alsook wanneer het recht geen minimumleeftijd voorziet, steeds de maturiteit geëvalueerd dient te worden om te bepalen of de verzoeker op het moment van de feiten over de vereiste mentale capaciteiten beschikte om verantwoordelijk te worden geacht voor het misdrijf. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de voormelde richtsnoeren in rekening werden gebracht. Wat betreft de minimumleeftijd voor strafrechtelijke aansprakelijkheid, werd er gekeken naar de wettelijke bepalingen in het Belgisch recht – zowel op federaal als gemeenschapsrecht – en werd hieruit geconcludeerd dat verzoekers leeftijd op het moment van de weerhouden feiten (i.e. 15 jaar oud) an sich niet voldoende is om te besluiten dat hij niet verantwoordelijk kan gehouden worden voor zijn handelen en aldus een uitsluiting niet a priori verhindert. Dit wordt in het verzoekschrift ook niet betwist.
 
Vervolgens werd, tevens conform de bovenvermelde richtsnoeren van het UNHCR, op individuele basis beoordeeld of verzoeker over de vereiste mentale capaciteiten beschikte op het moment van de feiten, en of er andere redenen waren om strafrechtelijke verantwoordelijkheid af te wijzen.
 
In de bestreden beslissing wordt vooreerst op uitvoerige wijze uiteengezet hoe de Commissarisgeneraal tot het oordeel is gekomen dat verzoeker over de vereiste mentale capaciteiten beschikte in de periode van zijn aansluiting bij IS, waarin de door verzoeker gestelde handelingen die weerhouden werden in de bestreden beslissing plaatsvonden. Hierbij werd o.a. gewezen op verzoekers afwegingen, zijn mening over IS en zijn eigen overtuigingen voor zijn aansluiting bij IS, zijn doelbewuste handelen met oog voor de persoonlijke ambities en eigen belangen en interesses, waarbij hij zijn activiteiten binnen de organisatie afstemde op wat hem het beste uitkwam, zijn familiale achtergrond en zijn zelfstandigheid (bestreden beslissing, pagina’s 7-8). Tevens werd de ‘gedwongen’ aard van verzoekers rekrutering door en lidmaatschap van IS onderzocht en weerlegd, waarbij rekening houdend met verzoekers leeftijd en het feit dat IS een actief rekruteringsbeleid voerde onder de jongeren in de stad, gekeken werd naar verzoekers handelen, de expliciete keuzes die hij maakte en de motieven die hieraan ten grondslag lagen, en de context waarin dit alles gebeurde (bestreden beslissing, pagina’s 9- 10). De Raad stelt vast dat verzoeker ook hier nalaat om de pertinente vaststellingen en overwegingen in de bestreden beslissing aan de hand van concrete elementen en argumenten in een ander licht te plaatsen. Verzoeker betoogt weliswaar dat de vereiste mens rea niet aanwezig was en het hem aan de mentale capaciteiten ontbrak om zich weloverwogen en met kennis van zaken aan te sluiten bij IS zodat hij niet verantwoordelijk kan gehouden worden voor de door hem gestelde daden, en hij verwijst in dit verband naar zijn jonge leeftijd op het moment van aansluiting bij IS – verzoeker was 12 à 13 jaar oud op het moment van de machtsovername door IS in Raqqa, en ruim 14 jaar op het moment van aansluiting bij IS – en de algemene context, met name de burgeroorlog, de grote invloed van IS op het dagelijks leven in Raqqa en de intensieve propaganda van IS waaraan hij werd blootgesteld, doch deze elementen werden door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen meegenomen in zijn beoordeling, zoals blijkt uit de motivering van de bestreden beslissing. Verzoeker beperkt zich aldus in wezen louter tot het herhalen van eerder afgelegde verklaringen en het tegenspreken van de gevolgtrekkingen door de commissaris-generaal, waarmee hij er echter niet in slaagt de motieven van de beslissing te ontkrachten op grond waarvan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht oordeelt dat hij steeds intentioneel en met kennis van de praktijken handelde, dat hij ondanks zijn jonge leeftijd op het moment van de door hem gestelde handelingen voldoende maturiteit en verstandelijke vermogens had en schuldbekwaam kan worden geacht, dat hij bijgevolg individueel verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn daden en dat hij zijn bewering als zou hij onder onweerstaanbare dwang gehandeld hebben niet aannemelijk maakt.
 
In ondergeschikte orde stelt verzoeker dat, in de hypothese dat de vereiste ‘mens rea’ wel aanwezig was, er meerdere verschoningsgronden aanwezig zijn die maken dat hij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor zijn daden. Volgens verzoeker zijn de volgende verschoningsgronden die UNHCR vermeldt op hem van toepassing: 1) zijn leeftijd op het moment dat hij lid werd van de groepering, 2) de redenen om zich aan te sluiten, 3) het opleidingsniveau en niveau van begrip van de gebeurtenissen en 4) het trauma en misbruik waarvan het kind het slachtoffer werd.
 
Waar verzoeker verwijst naar indoctrinatie en brainwashing als reden voor zijn toetreding tot IS, dient te worden benadrukt dat het gegeven dat verzoeker overtuigd werd van de ideologie van IS niet zonder meer inhoudt dat er sprake was van wilsverlamming, noch dat zijn toetreding tot en lidmaatschap van IS geen bewuste keuze is geweest. Hiervoor dient te worden gekeken naar het specifieke traject van verzoeker. Zoals terecht wordt opgemerkt in de bestreden beslissing, blijkt uit verzoekers verklaringen duidelijk en ondubbelzinnig dat hij zich vrijwillig en zonder dwang bij IS heeft aangesloten, dat zijn ouders de daden van IS afkeurden, zij niet toelieten dat hij zich bij IS aansloot en zijn vader het familieboekje verstopte omdat hij wist dat verzoeker dit document nodig had voor registratie bij IS, dat het verzoeker een week kostte vooraleer hij een kopie van het familieboekje kon bekomen, dat hij met andere woorden de tijd had om zijn beslissing te overdenken maar hij ondanks de sterke tegenkanting van zijn ouders toch besloot om lid te worden. Daarnaast blijkt uit verzoekers verklaringen dat hij, eens lid, binnen IS zelf initiatieven nam en keuzes maakte die hem zelf het beste uitkwamen. In de bestreden beslissing worden in dit verband onder andere de volgende voorbeelden aangehaald: i) het feit dat verzoeker bij zijn aansluiting niet bij de ‘Welpen van het Kalifaat’ maar wel bij het eigenlijke ‘Jaysh al Khilafa’ (‘Leger van het Kalifaat’) werd onderverdeeld, hetgeen deels zijn persoonlijke keuze was omdat hij weinig voelde voor de lange opleiding bij de ‘Welpen van het kalifaat’ en hij snel wilde ingezet worden in de strijd, ii) het feit dat hij bij het trainingskamp bij de ar Rashid-stuwdam ervoor koos om zich als vrijwilliger te melden en quasi onmiddellijk naar het front te worden uitgestuurd, iii) het feit dat hij ervoor koos om in Mosul te blijven op het moment dat een deel van zijn lichting gedesillusioneerd Mosul verliet, iv) de woordenwisseling met een commandant die ertoe leidde dat verzoeker uiteindelijk toch weggestuurd werd uit Mosul en dit ondanks het feit dat men toen een grote nood aan strijders had, iets waarvan verzoeker zegt dat het hem goed uitkwam, v) het negeren van het bevel om zich in Raqqa terug aan te melden in het kantoor van de ‘amn al-dawla’ nadat hij vanuit Mosul teruggestuurd was en vi) het feit dat verzoeker een functie als ‘amni al mokhles’ kon bekomen, dit terwijl IS hem eigenlijk terug naar de opleiding voor strijders wilde sturen, iets waar verzoeker “geen zin” in had. Gelet op verzoekers traject bij IS, kan bezwaarlijk volgehouden worden dat hij willoos bevelen opvolgde en onderging wat men voor hem besliste, integendeel.
 
Hierbij werd in de bestreden beslissing terecht verzoekers grote maturiteit op het moment van zijn aansluiting bij en lidmaatschap van IS benadrukt. Meer dan de loutere leeftijd, is de factor maturiteit van belang bij de inschatting van de mate waarin verzoekers handelen uitingen waren van een vrije wil. In de bestreden beslissing wordt hierbij op een waaier van elementen gewezen om verzoekers maturiteit aan te tonen. Waar verzoeker in het verzoekschrift stelt dat zijn opleidingsniveau en niveau van begrip zeker niet overdreven mag worden, slaagt hij er met deze vaag geformuleerde stelling niet in de pertinente motivering van de bestreden beslissing inzake zijn maturiteit, zijn mentale capaciteiten en zijn kennis en begrip van de algemene situatie te weerleggen. Zo wordt er dienaangaande in de bestreden beslissing op gewezen dat verzoeker reeds voor zijn aansluiting kennis had van de situatie in Raqqa en de handelswijze van IS, dat hij reeds voor zijn aansluiting voor zichzelf uitmaakte met welk gedrag van IS hij al dan niet akkoord ging en dat hij aldus op het moment van zijn aansluiting wel degelijk in staat was om voor zichzelf een beeld te vormen van wat goed en slecht was. Daarnaast wordt in de bestreden beslissing ter staving van verzoekers maturiteit en mentale capaciteiten voorts gewezen i) op het feit dat hij na het sluiten van de scholen op veertienjarige leeftijd al op eigen houtje in Raqqa verbleef om er te werken en dit terwijl zijn familie op het platteland bleef, ii) op het feit dat verzoeker binnen IS erin slaagde om een zekere graad van autonomie af te dwingen en te verkrijgen, iii) op het dubbelleven dat verzoeker als ‘amni al mokhles’ leidde, iv) op de familiale context van verzoeker en het feit dat hij zich vanuit dit milieu toch aansloot bij IS, hetgeen aantoont dat hij op dat moment reeds in staat was om zelfstandig keuzes te maken en zijn leven in handen te nemen en v) het feit dat verzoeker er middels valse verklaringen in slaagde in aanmerking te komen voor relocatie vanuit  Griekenland.
 
Waar verzoeker ‘het trauma en het misbruik waarvan het kind het slachtoffer werd’ noemt als één van de factoren geïdentificeerd door het UNHCR, en verwijst naar het seksueel misbruik door een volwassen lid van IS, merkt de Raad vooreerst op dat verzoeker hierbij een belangrijke nuance achterwege laat, namelijk dat het trauma of misbruik dient te resulteren uit de betrokkenheid bij de gewapende groepering (zie UNHCR Background Note on the Application of Exclusion Clauses, par. 92: […] the trauma, abuse or ill-treatment suffered by the child as a result of his or her involvement.). Zonder enige afbreuk te willen doen aan de laakbaarheid en de ernst van de feiten of de psychologische problemen die verzoeker hierdoor heeft opgelopen, dient echter vastgesteld te worden dat het betreffende incident met de Algerijnse IS-strijder waarnaar verzoeker verwijst, niet verbonden is met verzoekers activiteiten voor IS. Verzoeker werd ’s avonds, toen hij onderweg was naar zijn zus, op straat in Raqqa tegengehouden door deze strijder met als excuus een controle op roken. Verzoeker kende zijn belager niet en de belager wist niet dat verzoeker als ‘amni al mokhles’ werkte. Deze feiten vonden plaats ongeveer één maand voor verzoekers vlucht (notities persoonlijk onderhoud dd. 11 december 2017, p. 34-35). Gelet op de omstandigheden van de feiten en het moment waarop deze plaatsvonden, kan niet volgehouden worden dat omwille hiervan dient te worden afgezien van verantwoordelijkheid voor uitsluitbare handelingen.
 
In acht genomen het geheel van wat voorafgaat, kan verzoeker dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat de combinatie van voornoemde verschoningsgronden maakt dat hij niet individueel verantwoordelijk mag worden gehouden voor zijn handelen en dat hij aldus niet kan uitgesloten worden op basis van artikel 1, F van de Vluchtelingenconventie.
 
In zoverre verzoeker er te dezen nog op wijst dat hij in België verdacht werd van ‘welbewuste deelname aan activiteiten van een terroristische groep’, dat hij in dit kader door de Federale Gerechtelijke Politie werd ondervraagd, en de zaak uiteindelijk geseponeerd werd door de Procureur des Konings, en hij betoogt dat de seponering niet te wijten kan zijn aan een gebrek aan bewijs vermits hij zelf spontaan alle feiten heeft toegegeven zodat hieruit bijgevolg kan worden afgeleid dat ook de Procureur des Konings van mening was dat hij niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn daden, kan hij evenmin worden gevolgd. Dit argument betreft immers louter een veronderstelling van verzoeker. Immers, uit de brief van de griffie bij de Rechtbank van Eerste Aanleg van Turnhout blijkt geenszins op welke grond(en) de Procureur des Konings tot de seponering heeft beslist. Een dergelijke beslissing kan op zeer uiteenlopende gronden genomen worden en het is niet aan de Raad om te speculeren waarom het Federale Parket verzoekers dossier heeft geseponeerd. In de mate hiervan een aanwijzing kan worden gevonden in de als bijlage aan het verzoekschrift gevoegde getuigenverklaring van verzoekers voormalige voogd, waarin de Raad leest als volgt: “(…) B.(…) moest ook zijn telefoon afgeven. Na enkele maanden belde inspecteur (…) (de hoofdondervrager) me om te zeggen dat ze de telefoon vrijgaven. Hij was uitgelezen en vertaald en er was niets belastends gevonden. Hij bevestigde dat voor hem de zaak was afgerond en zonder gevolg. Hij zou dit aan de jeugdrechtbank doorgeven zodat de zaak kon geseponeerd worden (wat ook gebeurde)”, kan hieruit geenszins worden geconcludeerd dat het Federale Parket na onderzoek blijkbaar van mening was dat verzoeker niet verantwoordelijk kan worden gesteld voor zijn daden, zoals wordt aangevoerd in het verzoekschrift. De Raad benadrukt in dit verband nog dat artikel 1, F voorziet in “ernstige redenen (…) om te veronderstellen”. Inzake de bewijslast moet er duidelijk en geloofwaardig bewijs voorhanden zijn. Het is echter niet noodzakelijk dat er een veroordeling is omwille van een strafbaar misdrijf, noch dient aan de strafrechtelijke maatstaf voor bewijsvoering worden voldaan. De uitsluiting van internationale bescherming beoogt bovendien een ander doel dan strafrechtelijke vervolging. Immers, het doel van de uitsluitingsclausules opgenomen in artikel 1F van de Vluchtelingenconventie en de artikelen 55/2 en 55/4 van de Vreemdelingenwet is de bescherming van de integriteit van het asielsysteem door het niet toekennen van een beschermingsstatus aan de personen die omwille van de door hen gestelde criminele daden de bescherming verbonden aan deze status niet verdienen, niet de bestraffing van dergelijke daden. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist bovendien autonoom over de toepassing van de uitsluitingsclausules. Daar de toepassing van de uitsluitingsclausules betrekking heeft op in het verleden gepleegde feiten, is de vraag of de verzoeker heden nog een gevaar vormt voor het opvangland – hetgeen in casu de reden lijkt te zijn voor de seponering van verzoekers dossier door de Procureur des Konings – bovendien niet relevant bij de beoordeling van een eventuele uitsluiting (zie EASO Exclusion: Articles 12 and 17 Qualification Directive (2011/95/EU) – A Judicial Analysis, p. 17- 18). Gelet op het voorgaande, is het verwijt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij het nemen van de bestreden beslissing geen rekening heeft gehouden met het onderzoek dat de Procureur des Konings met behulp van de Federale gerechtelijke politie voerde en de stukken die in dit kader werden voorgelegd, in casu niet dienstig.

Meer info