Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 240.257 - 31-08-2020

Samenvatting

Hoewel de ambtenaar-geneesheer in casu duidelijk aangeeft welke medicatie hij noodzakelijk acht voor verzoeker, geldt dit niet voor de andere behandelings- en opvolgingsnoden. Er wordt enkel gesteld dat “betreffende de behandeling/zorgen specifiek in het kader van de opvolging van de levertransplantatie [kan worden besloten] uit BMA 13041 dat alle zorgen en medische begeleiding beschikbaar zijn in publieke instellingen”.
 
Uit deze motivering blijkt op geen enkele wijze welke zorgen en medische begeleiding de ambtenaar-geneesheer noodzakelijk acht voor verzoeker teneinde te vermijden dat hij in een situatie van een onmenselijke of vernederende behandeling terechtkomt in zijn land van herkomst. Dit is problematisch nu, zoals hiervoor reeds werd gesteld, de ambtenaar-geneesheer vrij is in zijn beoordeling van - onder meer - de noodzakelijk geachte behandeling, en hij er niet per definitie toe gehouden is de behandelende geneesheer te volgen in zijn standpunt dienaangaande. Hij moet hierover dus een duidelijk standpunt innemen.
 
Door dat niet te doen, wordt verzoeker in de onmogelijkheid gesteld om na te gaan of die beoordeling van de noodzakelijk geachte behandeling en opvolging deugdelijk is in het licht van de door hem voorgebrachte gegevens aangaande zijn specifieke medische toestand. Het gevolg daarvan is dat verzoeker evenmin bij machte is om na te gaan of op correcte wijze werd vastgesteld dat de (volgens de ambtenaar-geneesheer nodig geachte) zorgen en opvolging effectief beschikbaar zijn in het land van herkomst. Een verwijzing, in het advies, naar het document BMA 13041, volstaat niet, nu deze loutere verwijzing niks prijs geeft over de daarin opgenomen informatie. Daarenboven had verzoeker al in het vierde middelonderdeel erop gewezen dat de MedCOI-bronnen niet publiek zijn en dus niet toegankelijk en verifieerbaar.
 
Wat dat laatste betreft, stelt de verwerende partij het volgende in haar nota met opmerkingen:
 
“Wat de kritiek van verzoeker op de Med-COI databank betreft, dient gerepliceerd dat uit de inhoud van het medisch advies blijkt welke informatie de arts-adviseur uit het MedCOI document heeft afgeleid, met name de beschikbaarheid van de vereiste medicatie en de beschikbaarheid van behandeling/zorgen in het kader van opvolging van de levertransplantatie. De arts-adviseur heeft in het medisch advies tevens aangegeven dat de MedCOI documenten werden toegevoegd aan het administratief dossier van verzoeker. Indien verzoeker de inhoud van de gebruikte documenten wenste te verifiëren, stond het hem vrij inzage te verzoeken in het administratief dossier. Verzoeker toont niet aan dat hij in de onmogelijkheid is geweest het administratief dossier te raadplegen (cf. RvS 25 januari 2019, nr. 13.148 (c))”
 
De argumentatie van de verwerende partij kan niet worden bijgetreden: zij vereist immers dat verzoeker, om de essentie van het advies te kennen - welke behandelingen en zorgen acht de ambtenaar-geneesheer noodzakelijk in zijn specifieke geval - inzage vraagt in het administratief dossier teneinde zijn verdediging tegen de bestreden beslissing te kunnen voeren. Opdebeek en Coolsaet stellen aangaande “de rol van het administratief dossier” dat “sinds de inwerkingtreding van de Wet Motivering Bestuurshandelingen […] het niet langer [volstaat] dat de motieven terug te vinden zijn in het dossier; zij moeten in de beslissing zelf worden opgenomen.” (I. Opdebeeck en A. Coolsaet, Formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, die Keure, 2013, 140). Dezelfde rechtsleer stelt dat “bij de controle of de formele motivering afdoende is, […] enkel [kan] rekening gehouden worden met de motieven vermeld in de beslissing” (RvS 4 december 2003, nr. 126.056, Delsaut). De Raad van State stelde ter zake dat enkel de wettigheid van de motieven die zijn opgenomen in de bestreden beslissing mogen worden beoordeeld (RvS 11 december 2015, nr. 233.222).
 
Met uitzondering van een gebrek aan belangenschade of motivering door verwijzing - indien alle voorwaarden hiertoe vervuld zijn -, “[kan] in beginsel […] geen rekening worden gehouden met motieven die niet in de beslissing zelf, maar in andere stukken worden verstrekt” (I. Opdebeeck en A. Coolsaet, idem, 131).
 
Uit rechtspraak van de Raad van State blijkt dat de motieven kenbaar moeten zijn, hetzij vóór de beslissing wordt genomen (RvS 25 april 1994, nr. 47.012; RvS 27 februari 1995, nr. 51.775), hetzij ten laatste met de eindbeslissing (RvS 25 januari 2007, nr. 167.144; RvS 7 augustus 2008, nr. 185.636). Een aanpak van het bestuur waarbij de mededeling van de motieven afhankelijk wordt gemaakt van het initiatief van de bestuurde is niet verenigbaar met de formele motiveringsplicht (RvS 14 juni 2010, nr. 205.127; in dezelfde zin ”deze wet [van 29 juli 1991] legt de betrokkene niet op zelf om de mededeling van het advies te vragen” RvS 17 januari 1996, nr. 57.548, Chau).
 
Omwille van de wapengelijkheid tussen de procespartijen kan een eventuele inzage van het dossier, voorafgaand aan het beroep, niet garant staan voor een doeltreffende rechtsbescherming. Luidens artikel 6, § 5, van de wet 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur heeft het bestuur dat niet onmiddellijk op een vraag tot inzage kan ingaan of deze vraag afwijst, immers een termijn van dertig dagen na ontvangst ervan om de verzoeker in kennis te stellen van de redenen van het uitstel of de afwijzing en wordt de aanvraag bij ontstentenis van een kennisgeving binnen de voorgeschreven termijn, geacht te zijn afgewezen. Deze termijn van dertig dagen is gelijk aan de beroepstermijn die de wetgever in artikel 39/57 van de Vreemdelingenwet heeft ingesteld voor het indienen van een beroep bij de Raad. Eén en ander maakt het mogelijk dat de beroepstermijn van een verzoeker de facto wordt ingekort door het talmen van het bestuur bij het verlenen van inzage of wordt uitgehold doordat de termijn uit het voormelde artikel 6, § 5, van de voormelde wet van 11 april 1994 zonder gevolg verstrijkt (zie ook GwH 12 juli 2012, nr. 88/2012, B.36.4 waarin het Hof stelt dat de bij de wet van 11 april 1994 ingevoerde procedures en termijnen onverenigbaar zijn met de termijn voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad). Recent stelde de Raad van State nog in zijn cassatiearrest nr. 247.821 van 17 juni 2020 dat het voordeel van de rechten van verdediging niet is onderworpen aan de vereiste dat de verzoeker toegang tot het administratief dossier vraagt voor het indienen van zijn beroep.
 
Samengevat moet dus worden vastgesteld dat noch de bestreden beslissing, noch het advies van de ambtenaar-geneesheer een tipje van de sluier licht voor wat betreft de behandelings- en opvolgingsmogelijkheden die de ambtenaar-geneesheer actueel voor verzoeker noodzakelijk acht. Daardoor wordt verzoeker dus in het ongewisse gelaten over één van de essentiële elementen van de bestreden beslissing. De verwijzing naar een stuk in het administratief dossier volstaat niet om dat gebrek te corrigeren. De motivering is derhalve niet afdoende, en een schending van de formele motiveringsplicht is aangetoond. Het standpunt van de verwerende partij doet aan het voorgaande geen afbreuk, nu zij in de nota met opmerkingen in algemene termen stelt dat de formele motiveringsplicht werd gehonoreerd.