Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 241.426 - 25-09-2020

Samenvatting

Op grond van de stukken van het administratief dossier, kan de Raad niet anders dan vaststellen dat de redenen die de verwerende partij opgeeft in de bestreden beslissing waarom het erg onwaarschijnlijk lijkt dat de verzoekende partijen geen familie, vrienden of kennissen meer zouden hebben in het land van herkomst waar zij voor korte tijd zouden kunnen verblijven, niet gebaseerd zijn op een correcte feitenvinding. Uit de stukken van het administratief dossier en de stukken gevoegd bij de aanvraag, blijkt geenszins dat de verzoekende partijen allen geboren en getogen zijn in Rusland. Op de identiteitskaarten van de drie verzoekende partijen, gevoegd bij de aanvraag, staat dat zij geboren zijn in Armenië. Uit de stukken van het administratief dossier, met name de beslissing van het commissariaat-generaal van 29 juni 2011 ten aanzien van de echtgenoot/vader van de verzoekende partijen, blijkt voorts dat de echtgenoot/vader van de verzoekende partijen tijdens het gehoor naar aanleiding van de asielaanvraag verklaard heeft dat hij in 2000 naar Rusland is verhuisd en dat zijn familie, aldus de verzoekende partijen, hem gevolgd is in 2001. De vaststelling in de bestreden beslissing dat de verzoekende partijen ruim 16 jaar, 17 jaar en 37 jaar in Rusland verbleven, waar zij allen geboren en getogen zijn vindt geen grondslag in de stukken van het administratief dossier. Daarnaast kan ook voor de vermelding dat de zus/dochter van de verzoekende partijen in 2015 teruggekeerd is naar Rusland geen indicatie gevonden worden in het administratief dossier. Daarentegen leggen de verzoekende partijen een begin van bewijs voor dat de zus/dochter van de verzoekende partijen zich in Nederland bevindt en aldaar een verblijfsrecht heeft bekomen. Ook de stelling dat de zus/dochter van de verzoekende partijen teruggekeerd is naar Rusland vindt aldus geen grondslag in het administratief dossier. Betreffende de vaststelling dat de echtgenoot/vader van de verzoekende partijen is teruggekeerd naar Rusland in 2015, kan de Raad enkel vaststellen dat een dergelijke vermelding zich in het administratief dossier bevindt, doch dat dit enkel verklaard wordt bij een woonstcontrole door een derde, daar de verzoekende partijen op het adres niet meer konden worden aangetroffen. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt niet dat de verwerende partij oog heeft gehad voor deze omstandigheid. Evenmin blijken uit het administratief dossier andere elementen waaruit zou blijken dat de echtgenoot/vader in 2015 naar Rusland is teruggekeerd.
 
Bepaalde vaststellingen vinden aldus geen of slechts gedeeltelijk steun in het administratief dossier. Het is de Raad in casu niet duidelijk of de verwerende partij zonder voornoemde foutieve en twijfelachtige vaststellingen omtrent de verblijfsduur in Rusland en de al dan niet aanwezigheid van familieleden op het Russisch grondgebied, eveneens geoordeeld zou hebben dat het erg onwaarschijnlijk lijkt dat de verzoekende partijen geen familie, vrienden of kennissen meer zouden hebben in het land van herkomst waar zij voor korte tijd zouden kunnen verblijven, of dat hun verblijf in België, hun integratie en hun opbouwde banden geenszins kunnen vergeleken worden met hun relaties in het land van herkomst en aldus zou geoordeeld hebben dat de bewering dat zij geen banden meer zouden hebben met het land van herkomst niet kan aanvaard worden als buitengewone omstandigheid.
 
De Raad bezit niet de bevoegdheid om zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid.